Kruispunt..

een kat die nog wat twijfelt
maar dan toch oversteekt
een kruispunt van twee wegen
en wind die tot me spreekt

de zon speelt met de wolken
verstopt zich en verbleekt
de schaduw aait het kruispunt
dat niets zegt en toch preekt

met zinnen zonder woorden
zo wijs want niet gefaket
het kruispunt van twee wegen
dat twijfel stil doorbreekt

Koolwitje als gezelschap

Liefde later…

als groen toch ooit eens grijs wordt
en kleuren tinten zwart
als warmte koud als ijs wordt
en zachte liefde hard

als bloemen anders geuren
en dag en nacht verward
als dat ooit mocht gebeuren
zit jij nog in mijn hart

dan hoop ik op een briesje dus
en nu en dan wat zon
zodat ik warm weer even weet
van hoe het ooit begon

die allereerste liefdeskus
de kinderen die we kregen
het grijs wordt er weer groener van
en ik kan er weer tegen..

Mei…

hemelvaart
in alle rust
maar binnenin
de dreiging
van nu niet weten
wat er straks
van spijt bewust
voorbij ging

hemelvaart
in alle rust
bezinning
en verfijning
van niet vergeten
welke kracht
er altijd al
in mei hing

Mét…

Ze dipt ‘t frietje in de mayonaise en beweegt daarna haar hand met het frietje naar zijn mond. Hij zit in een rolstoel. Alleen zijn hoofd is te zien  onder een rondom afsluitende poncho. In het voorbijlopen zie ik dat z’n hoofd beweegt in de richting van haar hand.  Een aandoenlijk tafereel dat me raakt.

Zij, een klein frêle vrouwtje en hij, vroeger een boom van een vent, maar door ziekte steeds meer afhankelijk geworden van haar hulp. Zo lijkt het tenminste. Toch is het een afhankelijkheid die op de een of andere manier niet eenzijdig aanvoelt. Er straalt een liefdevolle vanzelfsprekendheid van uit. Twee mensen die elkaar hun leven lang al hebben bijgestaan en dat dus ook nu gewoon doen. Als het andersom geweest was, zou hij het net zo hebben gedaan voor haar. Alleen had hij haar dan wel makkelijker kunnen voortduwen. En of hij net zo liefdevol een frietje had kunnen aangeven? Ik denk het wel.

Vroeger runden ze samen een museum waar met de hand vervaardigd kopervakwerk werd tentoongesteld. Ik ben er wel eens geweest. Hij, ingetogen aan het werk met gereedschap dat op zichzelf al museumpotentie bezat. En zij, als trotse rondleidster in hun gezamenlijke heiligdom, met liefde al zijn werk tonend. Vakwerk dat zelfs internationale vermaardheid kende. Krantenknipsels en foto’s getuigden van gloriedagen op plekken waar vroeger zonnekoningen en regenten verbleven. 

Ze vertelde toen dat er geen opvolging was. En niemand verstond het vak om het ambacht voor de toekomst te bewaren. Zijn handen werkten steeds minder mee met wat hij in zijn hoofd nog kon maken. Meer en meer ging dat ten koste van zijn vakmanschap. Ongewild maar onvermijdelijk.

Ik weet eigenlijk niet of het museum nu gesloten is. Aan de buitenkant hangen nog steeds de vlaggen met hun logo en op de deur staan de openingstijden vermeld. In de vitrines bij de ingang heeft het koperwerk een prominente plek. Het geheel ademt de sfeer van mooie tijden van weleer. Ik weet ook niet of ze er überhaubt nog samen wonen. Misschien met extra hulp?

Zo nu en dan zag ik hen samen in het dorp, nog allebei wandelend. Daarna ondersteunde hij zichzelf vaker met een wandelstok. En een tijd geleden zag ik haar voor het eerst achter de rolstoel lopen. Haar hoofd kwam maar net boven dat van haar man uit. Zij duwde hem, richting het centrum. Later zag ik ze bij Passi, allebei genietend van een ijsje.

En nu, bij de cafetaria onder de parasol, weer samen aan een tafeltje. Zij enigszins naar hem toegebogen. Waarschijnlijk om het frietje, via de mayonaise, makkelijker naar zijn mond te kunnen brengen. Met passie en liefde. Vakmanschap. Anders dan dat van hem maar evengoed van een wereldse allure. Misschien nog wel méér dan werelds…

Als het museum nog open is, alleen daarom al voldoende reden om er eens te gaan kijken. Voor het vakmanschap. Van hem. Maar zeker ook voor dat van haar.

Vijf jaar hospice Doevenbos

Op de kop af vijf jaar geleden. Zaterdag, 1 mei 2016, opende buurtzorghuis hospice Doevenbos haar deuren. Mijn zus Trudy was op 11 mei 2016 één van de eerste gasten. Twee dagen heeft ze daar min of meer bewust beleeft. Op de eerste dag zag ze nog de groene waas van het pas ingezaaide gras en bewonderde ze de magistrale kastanjebomen. Ze zag de rode stenen van het pad wat feller opkleuren, door de regendruppels die er op vielen. Op de tweede dag waren we aanwezig bij haar overlijden. Een onvermijdelijk einde van een progressief ziekteproces.

Hoe pijnlijk en emotioneel ook, tegelijk was het een gebeurtenis die op een andere manier grote indruk op me maakte. Naast de waardige ambiance waarin ze afscheid nam, was het vooral de manier waarop het verpleegkundig personeel en de vrijwilligers haar en ons die twee dagen begeleidden. Met heel veel respect en dankbaarheid denk ik daar aan terug. Aan die twee dagen waarin ik zelf het vakmanschap en medeleven mocht ervaren, maar ook aan al die momenten dat anderen, in de afgelopen vijf jaar, ongetwijfeld dezelfde indrukken hebben opgedaan. Het waren gedachten die afgelopen zaterdag 1 mei door mijn hoofd gingen. Namens de Vrienden van Hospice Doevenbos mocht ik aanwezig zijn bij het lustrum-moment waar die middag op gepaste wijze bij werd stilgestaan.

Het pas ingezaaide gras van toen was een volwaardig grasveld geworden. De kastanjebomen wuifden net als toen in alle rust naar de wolken en de zon. José Hoebers, vijf jaar geleden een van de initiatiefnemers en betrokken vanaf het eerste moment, sprak een kort woordje van dank en trots uit naar de aanwezige verpleegkundigen en noemde daarin ook alle vrijwilligers van Hospice Doevenbos. Op het gras hadden Nienke Wijnhoven, Petri Vullings en Geert Keijsers zich opgesteld om het lustrum-moment muzikaal te onderstrepen. Sommige gasten genoten vanaf hun eigen terras mee van de muziek, anderen kregen het in hun eigen kamers mee, door de open tuindeuren.

Vijf jaar hospice Doevenbos. Boven de ingang hebben vrijwilligers in vijf grote cirkels het getal vijf versierd. Tussen een aantal bomen bij het hospice wapperen slingers van kleine kleurige vlaggetjes in de wind. Op die vlaggetjes staan mooie spreuken of speciale gedachten geschreven. Stuk voor stuk momenten van bezinning, die één voor één het speciale van deze plek benadrukken. Momenten die misschien wel situaties beschrijven van de afgelopen vijf jaar. Maar tegelijk een vooruitblik kunnen zijn naar momenten die de komende tijd onvermijdelijk nog gaan spelen.

De slinger van vlaggetjes gaat het komende jaar namelijk groeien. Op 30 april 2022 zitten we nog net in het vijfde lustrumjaar. Het idee is om het lustrum dan de aandacht te geven die het verdient. Maar tot die tijd, en zolang corona dat nog van ons vraagt, kunnen alle herinneringen en gedachten al worden opgetekend op de vlaggetjes, die daar speciaal voor klaarliggen. De slinger wordt langer door alle herinneringen en gedachten die al bestaan of nog gaan komen. En zo, groeiend met elkaar en bewogen door de wind, markeren ze steeds indrukwekkender de plek waar hospice Doevenbos vijf jaar geleden is begonnen.

Want het is dezelfde wind, die de kastanjebladeren toen liet ritselen, die zaterdagmiddag de vlaggetjes liet dansen. Dezelfde wind die de muzikale klanken naar de gasten van het hospice blies en hen liet genieten van het moment. Dezelfde zon die dat zo nu en dan warm bescheen. Net als vijf jaar geleden. Op die mooie en bijzondere  plek, waar het leven dan misschien wel eindig is, maar evengoed toch altijd ook doorgaat. 

Doevenbos, bedankt en proficiat!

Dichtbij…

ik‌ ‌hoor‌ ‌de‌ ‌klokken‌ ‌van‌ ‌de‌ ‌kerk‌ ‌
voortdurend‌ ‌auto’s‌ ‌ver‌ ‌van‌ ‌mij‌ ‌
hoefijzers‌ ‌tikken‌ ‌op‌ ‌beton‌ ‌
wellicht‌ ‌op‌ ‌weg‌ ‌naar‌ ‌eigen‌ ‌wei‌ ‌
‌
een‌ ‌houtduif‌ ‌klapwiekt‌ ‌vlot‌ ‌voorbij‌ ‌
een‌ ‌vink‌ ‌slaat‌ ‌steeds‌ ‌van‌ ‌wietewiet‌ ‌
drie‌ ‌kauwen‌ ‌spelen‌ ‌met‌ ‌de‌ ‌wind‌ ‌
ik‌ ‌ben‌ ‌er‌ ‌bij‌ ‌en‌ ‌ook‌ ‌weer‌ ‌niet‌ ‌
‌
het‌ ‌weinige‌ ‌is‌ ‌al‌machtig veel‌ ‌
en al die pracht hoort‌ ‌ook‌ ‌bij‌ ‌mij‌ ‌
ik‌ ‌ben‌ ‌een‌ ‌deel‌ ‌van‌ ‌één‌ ‌geheel‌ ‌
ja,‌ ‌afstand‌ ‌is‌ ‌hier‌ ‌heel‌ ‌dichtbij‌…

Zonder woorden…

jouw blik
zei meer dan woorden
en toch…
bleef ik ze zoeken

heb al die woorden
-niet gezegd-
gezocht
in open boeken

waar nooit
gestelde vragen
de antwoorden
niet
kregen

en toch…
was er dan nog
die blik
die zei
wat was verzwegen

Het antwoord in de vraag | foto Unsplash.com – ilkka karkainen

Belofte…

het even niet meer weten
met twijfel in je hoofd
het liefst zou je vergeten
al wat je niet gelooft

en toch, de vogels fluiten
het groen, de bloemen, ooft
er is geen twijfel buiten
wat het leven je belooft

Groen gras en gele bloemen, belofte voor nog meer…

Getouwtrek…

Ik probeer te accepteren wat er is. Me niet druk te maken over dingen waar ik niks aan kan doen. Me te onthouden van het hebben van een mening over zaken waar ik te weinig van af weet. Tegelijk zie ik steeds vaker om me heen dat veel mensen daar anders mee omgaan.

Het lijkt alsof steeds meer mensen niet meer accepteren wat er is. Zich druk maken over dingen waarvan ze denken dat ze er op die manier iets aan kunnen doen. Ze hebben een mening over zaken waar ze klaarblijkelijk voldoende over menen te weten. Het vreemde is dat mensen met een tegengestelde mening er net zo zelfverzekerd instaan.

Ik merk dat ik daar steeds meer moeite mee heb. Niet zozeer met die tegengestelde meningen maar met mijn positie tussen die extremen. Hun ‘strijd’ voelt als touwtrekken met een bungee-jump-koord. Ik ben het vlaggetje in het midden van het koord. Links en rechts zie ik dat de hakken in het zand zijn gezet. Verbeten gezichten met maar één doel: bij het eerste signaal de tegenpartij met kracht omver trekken. Niemand beseft echter dat dit koord volkomen elastisch is.

Het signaal klinkt. Een fluitje, een virus, een functie elders. Alles is een startsein. Meteen wordt er aan beide kanten fanatiek getrokken. Beide partijen voelen duidelijk dat ze terrein winnen en worden alsmaar zekerder van zichzelf. Jutten elkaar op om vol te houden, want het kan niet anders of ze zijn er bijna. Toch? Maar het vlaggetje blijft in het midden hangen. Nog wel…

Want als het elastiek maximaal gespannen is, als aan beide kanten niemand ook nog maar één pas in zijn eigen richting kan verzetten, dan ontstaat de meest gevaarlijke situatie. Een situatie die onoplosbaar lijkt. Er is geen partij die los wil laten, want men is ervan overtuigd dat het de overwinning betekent voor de tegenstander. Dat kan niet. Tegelijk wordt men zich bewust van de striemende pijn wanneer de anderen het elastieken koord zouden loslaten. Het vlaggetje boven het midden kan niets doen dan gespannen afwachten…

De enige manier om dit tot een goed einde te brengen, is om van beide kanten in gelijke tred stap voor stap weer naar elkaar toe te lopen. Langzaam nader tot elkaar te komen. Met begrip en respect vóór elkaar weer náár elkaar. Alleen zo gaat die laatste anderhalve meter ook nog wel lukken. Als het ooit zover komt kan de vlag uit.

Negen rozen…

…gezien op Stille zaterdag…

Gisteren zag ik ze weer. Ietwat verlept maar nog steeds in een mooie driehoek naast elkaar. Vorige week zondag waren ze er neer gelegd, wist ik. Negen prachtige rode rozen. De punt van de driehoek gaf de plek aan waar het om ging. 

Een dag eerder, op zaterdag, zat ik in de buurt van die plek, op een bankje. Zoals altijd genietend van de rust en de stilte. Rechts van mij, in het kleine stukje groen, viel me op dat er een heuveltje zand lag. In de landelijke omgeving met velden en akkerbouw niet echt een ongewoon beeld, maar speciaal op die plek was het toch wel opvallend. Net toen ik me begon af te vragen wat er daar toch in de grond moest komen, hoorde ik van de andere kant een auto langzaam naderen.

Het was een statige zwarte auto, die stopte ter hoogte van het heuveltje zand. Twee mannen stapten uit. We groetten elkaar en terwijl de een naar het heuveltje liep, legde de ander uit wat ze kwamen doen. Hun vader was een jaar geleden gestorven, vertelde hij. Zijn laatste wens was dat zijn as op deze mooie plek zou worden begraven. Niet alléén, maar samen met de as van zijn vrouw. Hun moeder, die -als ik het goed onthouden heb- al in 2016 overleden was.

Een van de twee broers haalde een blauw doosje uit de auto. ‘Even kijken of het past’ zei hij. ‘Morgen komen we hier met de andere broers en zussen bij elkaar, om aan de laatste wens van vader tegemoet te komen. En dan moet het natuurlijk wel goed gaan’, legde de ander uit. Zijn broer probeerde ondertussen of hun voorwerk zou voldoen voor het gebeuren een dag later. Dat bleek het geval. ‘En moeder past er prima bij’, concludeerde hij. Het blauwe doosje was van afbreekbaar materiaal, legde hij uit. Speciaal bedoeld om as van overledenen op een verantwoorde manier terug te geven aan de aarde.

Ik vond het een speciale ontmoeting, die zaterdagmiddag. De plek werd voorzichtig afgedekt met een houten plaat die met zand en een steen op zijn plaats werd gehouden. We namen afscheid en zacht zoemde de auto van me vandaan. Een dag later, zo tegen een uur of drie ‘s middags, ben ik langs dezelfde plek gefietst en zag ik de negen rozen liggen. Precies daar waar gisteren nog het heuveltje zand lag, markeerden de rozen nu de plaats waarvan ik me voorstelde dat eerder negen kinderen opnieuw afscheid hadden genomen van hun ouders. Maar niet alleen afscheid. De negen rozen wezen ook naar de plek waar twee mensen die al zo lang samen waren geweest weer bij elkaar kwamen. Behalve afscheid dus ook een soort ontmoeting. Een weerzien.

Nu, een week later op Paaszondag, denk ik er aan terug. Op de dag van de verrijzenis stel ik me voor dat de as van deze twee mensen straks, als het blauw om hen heen hen vrijlaat en teruggeeft aan de aarde, diezelfde aarde zich met hen vermengd. De aarde die hun as vervolgens laat meereizen met de wortels van de bloemen en het gras, om -eenmaal boven de aarde- het blauw van de hemel weer te zien. Een verrijzenis die zo een reis wordt, die altijd maar doorgaat. Een reis waar negen kinderen uit zijn ontstaan, die ieder met een roos verbonden blijven met de plek, waar hun ouders sinds vorige week hun reis hebben voortgezet. 

Misschien omdat ‘verrijzenis’ ook ver reizen is…