Beste bedoelingen

Eén op de drie landgenoten vond het referendum de moeite waard en heeft dat vertaald in een keuze. Twee derde van alle nederlanders dus niet en een van hen ben ik. De voornaamste reden is dat mijn hoofd er niet naar stond om een driehonderd pagina’s tellend verdrag door te lezen, om daar vervolgens ‘voor’ tegen te zeggen. Of tegen ‘voor’ te zijn. Of zoiets. Het ‘nee’- en ‘ja’-kamp ten spijt -goed gewerkt jongens- maar nee, bedankt. Er waren andere dingen.

Kan Maurice de Hondt nog wel even nagaan hoeveel van die 427.939 referendum-wensers ook daadwerkelijk heeft gestemd? Als daar het gemiddelde ook 1 op de 3 is -iets dat je gezien de wet van de grote aantallen best zou mogen vermoeden- dan had het hele referendum per saldo helemaal niet de drempel van 300.000 verzoeken gehaald.

Maar zo mag je niet denken. Onze democratisch tot stand gekomen Wet Raadgevend Referendum (1 juli 2015) heeft minder dan één jaar later al tot een ‘overwinning van de democratie’ geleid. Zo hebben we het met z’n allen gewild: die 40 miljoen euro is goed besteed. We hebben tenminste éindelijk een keer mogen zeggen wat we er van vonden.

En dat deden we dan ook massaal. Op 6 april in de stemhokjes weliswaar nog niet met zo heel velen, maar vooral vóór die tijd al, massaal op alle daarvoor geschikte media. En na gisteren gaan we al helemaal los. We raken er niet over uitgesproken. Het ‘nee’-kamp ziet zich glorieus bevestigd en het ‘ja’-kamp voelt zich volslagen ontkend. Winnaars en verliezers, net als vóór 6 april.

Er wordt gefluisterd dat er al heel veel verzoeken binnen druppelen bij de Kiesraad om op korte termijn een tweede referendum te houden. Vooral om de stille meerderheid van de nederlandse bevolking alsnog een stem te geven: Was u voor of tegen het referendum van 6 april jongsleden? Het aantal verzoeken voor dat referendum loopt al aardig op. Terecht.

Het zou me zelfs niet verbazen als dat tweede referendum de grens van 300.000 nog eerder gaat halen dan het referendum dat ook al heel aardig op scheut is: bent u voor of tegen de inzet van statushouders bij het uitzetten van asielzoekers? We komen er wel met z’n allen. Stijlloos, dat wel. Bedenkelijk peil ook, maar heej.. burgers van Nederland, we hebben er recht op! En we hebben er genoeg van. Ik ook. Precies de reden dat ik 6 april niet ben gaan stemmen. Met 300 pagina’s vol van de beste bedoelingen overigens, maar dat had u al wel begrepen. Toch?

T.

Harde wind slaat met vlagen grijze regendruppels tegen het raam. Een onbestemd gevoel van binnen wordt nog eens aangewakkerd door de trieste, natte kou van buiten. Donker ingekleurd door onzekerheid.

Donkere wolken. Buiten en in mijn hoofd. Bezorgdheid over wat je te wachten staat. Gedachtenvlagen lijken tranenregen te voorspellen. Onwetend over wat er komen gaat, maar bewust van de dreiging.

Grijs en zwart overschaduwen brutaal het te voorzichtige blauw. Twijfel waait koud om het hart. Soms heb je van die dagen. Ongetwijfeld is morgen het weer anders…

Kijken naar wat je niet wil zien

Explosies op het vliegveld in Brussel. Ik lees het bericht op Facebook, net even na achten, terwijl ik in het petit restaurant van het Viecuri-ziekenhuis een broodje gezond eet. Het is nog vroeg. Ik heb een half uur eerder mijn zus succes gewenst op de röntgenafdeling. Ze moet een PET-scan ondergaan en is daarmee twee uur lang onder de pannen. Het bericht van de explosies neemt meteen mijn aandacht in beslag. ‘Nee he…’, schiet het door mijn hoofd. ‘Nee he’.

Het Viecuri-ziekenhuis loopt langzaam vol met personeel. Ook met patiënten trouwens, hoewel ik geen idee heb of ik het verschil tussen personeel en patiënt elke keer goed zie. Hoe dan ook, als deze mensen onderweg niet hun mobiele telefoons hebben gecheckt, of de radio niet aan hebben gehad, dan weten de meesten waarschijnlijk nog niets over de explosies. Om me heen kijkend zie ik dat die onwetendheid nooit lang meer kan duren. Iedereen tuurt op z’n mobiel. Met de wetenschap van de explosies in mijn hoofd kijk ik ineens anders naar de mensen om me heen.

Een mevrouw met een hoofddoek heeft een kopje koffie en een brownie gekocht en gaat een paar tafeltjes verderop zitten. Zou zij het al weten? En zo ja, wat zal zij nu denken? Ik realiseer me dat er eigenlijk nog niet zo heel veel te weten valt. Tegelijk denk ik al wel een heleboel. Waarom kijk ik ineens vooral naar die hijab om haar hoofd en vraag ik me af wat zij van die explosies vindt? Zou zij op haar beurt ook anders naar de mensen om haar heen kijken? Anders dan een half uurtje geleden?

Ik kijk naar dingen die ik niet wil zien. Omdat niet willen geen optie meer is en zien niet meer een keus. Ik luister naar dingen die ik niet wil horen. Omdat niet horen in het gunstigste geval hooguit tijdelijke, zelfgekozen stilte is. Tijdelijk en nooit langer durend dan tot de volgende explosie. Ik zie de eerste foto’s. Ik kijk en wil ze niet zien. De reacties op de sociale media. Radio. TV. We kijken en luisteren opnieuw met z’n allen naar wat we niet zouden moeten willen zien of horen.

Anderhalf uur later haal ik mijn zus op bij de röngtenafdeling. Zij heeft van dit alles waarschijnlijk nog niks meegekregen. In haar bloed stroomt nog de radioactieve contrastvloeistof, waardoor hopelijk straks te zien is wat haar beter kan gaan maken. Ook hier wordt gekeken naar iets wat men liever niet ziet. Een ziekmakende hoeveelheid explosief groeiende cellen is in een eerdere operatie succesvol verwijderd. Bij haar wel. Voorlopig is het stil. 

In Brussel vloeien tranen en de wereld huilt mee. Contrastvloeistof. Onderweg naar huis laat ik de radio nog even uit. Ik wil even niet horen wat ik zie.

Een jas van een euro… onbetaalbaar!

Ik heb ze bijna allemaal, vanaf 1993. De prinselijke huisordes die ik jaar na jaar dankbaar in ontvangst mocht nemen. Ik weet bijna zeker dat ik die kreeg als dank voor mijn bijdragen in de Klos, de Horster carnavalskrant. Omdat ik niet alle Klossen meer heb, kan ik dat echter niet controleren. Maar dat is ook niet zo belangrijk. Ik noem het omdat ik er twee mis. De huisorde van 1994 en die van 2010, die heb ik niet.

Al die andere ordes heeft Pip afgelopen week op mijn nieuwe carnavalsjas genaaid. Die jas, die ik voor een euro bij de kringloop in Sevenum heb gekocht, is nu door al die onderscheidingen onbetaalbaar geworden. Gisteren heeft die jas z’n vuurdoop gehad. Carnavalsvrijdag zit er weer op. Een mooi begin van wat nog gaat komen. En niemand die gisteren in de gaten had, dat ik twee huisordes miste.

In 1994 was Ber Cox prins, lees ik in een nieuwere Klos, die ik nog wel heb. En op de Klos van 2010 prijkt een mooie foto van Sjaak Jeurissen, die toen prins was. Nu ik de foto zie, kan ik me bijna herinneren dat hij me toen wel de huisorde heeft omgehangen, maar afijn. Hij zit er niet meer bij. Het is niet anders. Maakt ook niet zoveel uit.

In 1994 is ook onze Pip geboren. Zou dat verklaren waarom ik van dat jaar geen huisorde heb? Volgens Thea heb ik toen wel gewoon carnaval gevierd, omdat zij zich nog kon herinneren dat ze met Pip in de buik naar de Horster optocht heeft gekeken. Op 2 maart is Pip toen geboren. Toch voor de aardigheid eens opzoeken, wanneer het in dat jaar carnaval was.

Maar goed, diezelfde Pip heeft al die andere huisordes zeer bekwaam, en bijna 22 jaar later, een nieuwe plek gegeven op mijn jas. Zoals gezegd, onbetaalbaar. Onze Pip, maar ook die jas nu. Onbetaalbaar, vanwege de vele herinneringen die besloten liggen in al die stukjes mooi vormgegeven metaal. Zeker wanneer je dan de bijbehorende Klossen doorbladert van afgelopen jaren.

In de Klos van 1989 zie ik een collagefoto van de toenmalige ‘Wazelvotte’. Geen toeval dat daar mijn oog op valt, besef ik, omdat vanmorgen de herdenkingsdienst van Cor Kuipers in het Gasthoes was. Thijs Kleeven overleed vorig jaar en in de Klos van 2007 lees ik mijn ‘in memoriam‘ voor Toon te Baerts weer terug. Momenten in de tijd. Waardevol, maar vluchtig, als een jas van een euro, die onbetaalbaar wordt door alle herinneringen en nieuwe mogelijkheden voor de toekomst.

Daar moest ik gisteravond zo nu en dan aan denken, trommelend op de muziek en meedeinend met de rest. Tussen al die mensen, die ieder voor zich soortgelijke herinneringen zullen hebben. Net als die duizenden mensen die vanmiddag in een diffuus winterzonnetje op het Wilhelminaplein hun Parade vierden. Warme herinneringen. En droevige.

Voor al die mensen heb ik vanmiddag een gedichtje gedeeld via Facebook. Uit de Klos van 2007. Met dat gedichtje wil ik hier graag afsluiten. In dialekt, dus als je dat moeilijk lezen vindt, dan kun je hier onder ook kiezen om me het verhaal te laten voorlezen. Je krijgt er van te voren de winnende carnavalsschlager bij (tot 3.11) en achteraf een mooi nummer van Mark Lotterman (vanaf 6.51): ‘It ain’t only sorrow’.

Vur iederiën
deen ni mier is
ma aaltied
oonder ôs…
Vur iederiën
din in iën kier
inens ma
zoonder môs…

Vur iederiën
deen is gegoan
vur iederiën
di bleef bestoan:

Wet daat geej
mit iedere troan
Waat op oow wange schrieft:
Naat stripke zalt
‘ik halt vaan oow’
Daat is waat aaltied blieft…

En troan die zoë
na oonder sluit,
zörgt daat dur wer
waat moëis opbluit!

Een dooie mus…

Buiten hangt een pimpelmeesje aan een omgekeerd koffiekopje. Even later nog een. Misschien wel dezelfde? Af en aan vliegen ze. Vooral naar dat zaadbolletje, dat in het op z’n kop hangende koffiekopje verwerkt is. Het is het enige plekje waar de lompe kauwen niet bij kunnen. En dus passen de meesjes zich aan. Slim. Maar ook noodgedwongen.

Ik kijk er naar en betrap mezelf op een vergelijking waarvan ik niet helemaal kan overzien of die terecht is. Zo’n voedertak, met al zijn overdaad aan zaadjes en vetbollen, is een plek waar hongerige vogels zich te goed komen doen. Daar is die ook voor bedoeld. Zeker bij strenge winters blijkt zo’n uitwijkmogelijkheid een zeer gewaardeerd en soms zelfs vogellevensreddend initiatief. En dus komen ze graag. Mezen en kauwen. En andere vogels.

Nou valt hier de winter dit jaar wel mee, maar er zijn plekken op de wereld waar het koud is. Heel koud. Plekken waar je dood kunt vriezen, als je er niet weg kan. Bij dat hangende meesje en die brutale kauw moest ik denken aan de vluchtelingencrisis en hoe zich die in Europa manifesteert. Als een volgehangen voedertak met mezen en kauwen, bedacht ik me. En andere vogels. Vreemde associatie?

De kauwen zijn er steeds als de kippen bij en de meesjes laten zich gedwee verjagen. Ze moeten wel. Tegen dat brutale geweld kunnen ze namelijk niet op. Dus gaan ze weer. Op zoek naar andere plaatsen waar ze zich welkom voelen. Waar ze kunnen schuilen, al is het maar onder een omgekeerd koffiekopje. Ze blijven zoeken naar plekken waar geen kauwen zijn die alleen maar aan zichzelf denken. Ze hopen op andere vogels, bij wie ze wel welkom zijn.

De echte winter moet nog komen. Ik kijk naar buiten en maak me zorgen. Omdat er zoveel mezen en kauwen zijn. En massa’s andere vogels. Maar vooral omdat er nog veel meer vetbollen en zaadzakken zijn, die zich niet druk maken om een dooie mus. Terwijl juist dat zou moeten.

Een beetje voor papa

Pip komt thuis en vertelt dat er een lange rij mensen voor de ingang van de Mèrthal staat. Ik trek m’n jas aan en wandel er naar toe. Méér mensen doen dat, zie ik. Over een kwartier nemen we met z’n allen afscheid van Dré van den Bosch. Hoe onwerkelijk is dat.

Op 1 januari liep hij nog achteraan het ‘treintje Van Den Bosch’ het koude zwemwater van de Kasteelse Bossen in. Maar niet voordat hij zo’n beetje alle tweeduizend toeschouwers was langsgewandeld om hen te vertellen dat hij op zoek was naar de ster van Bethlehem. Net als zijn vrouw Astrid, hun kinderen Cas en Loeka en zijn broer Pieter. En voor de zoveelste keer tjoekte het treintje eensgezind het water in.

Van alle kanten zie ik mensen naar de Mèrthal lopen. Een grote zwarte auto rijdt me langzaam voorbij. Een klein zwart vlaggetje wappert in de frisse wind. In de auto daarna zie ik Loeka, die vanuit de bijrijdersstoel -bijna verbaasd lijkt het wel- de drukte in zich opneemt. De stoet parkeert bij de Mèrthal terwijl ik aansluit in de rij, die inderdaad indrukwekkend lang is.

Op 1 januari dook Loeka voor de tweede keer het koude water in. Met het treintje was al leuk, maar voor de echte bikkels is een tweede keer toch écht een must. Voor de camera van Wim Wijnhoven vertelde ze daarna dat ze dat al deed vanaf groep 4. ‘Lekker’, was haar korte, maar veelzeggende conclusie. Ze wrong het water uit haar bloemenhoed en ze lachte vriendelijk de camera in.

De rij schuift maar langzaam op. Ik sta op een plek waar ook de zwarte auto is gestopt. De deur wordt voor Astrid open gemaakt. Ze stapt uit en de rest van de familie verzamelt zich om haar heen. Ik zie Loeka. Cas. De nichtjes Ankie en Floor. De kist wordt uit de auto getild en door de familie op de baar geschoven. De mensen om me heen zijn stil. Kleurige handen versieren het blanke hout van de kist.

Ik heb Dré op Nieuwjaarsdag niet twee keer zien duiken, maar het zou me niet verbazen als dat wel het geval was. Andere jaren was dat in ieder geval zo. Als je het over echte bikkels hebt… Op het compilatiefilmpje van de duik komt hij regelmatig voorbij. Eigenzinnig. Zijn eigen ding doend. Ik vermoed dat het confettivuurwerk op de achtergrond bij de warming-up zijn verdienste is. Zijn eigen warming-up.

In de Mèrthal is geen plek onbezet. Vierkant vol en dat wil wat zeggen. Persoonlijke verhalen wisselen zorgvuldig geselecteerde beelden af. Van waar ik sta kan ik de beelden niet zien, maar ik kan me ze des te beter voor de geest halen, terwijl ik luister naar de verhalen en naar de mooie muziek. Ik hoor Cas en Loeka verdrietig sterk zijn, samen met hun neven en nichten. Herinneringen worden gedeeld, waar eigenlijk nog gewoon toekomst had moeten zijn.

Elk moment is indrukwekkend. Van het live gezongen lied van Loeka en Ankie (of Floor, na zoveel jaren kan ik die tweeling nog steeds niet uit elkaar houden..) tot aan het door Ron Bosmans mooi ingeleidde, maar tot op het bot gaande ‘Killing in the name’ van Rage against the Machine. Nog nooit zag ik zoveel mensen vervolgens zo eensgezind, intens en ingetogen langs de kist wandelen, om persoonlijk afscheid te nemen. Veel handen werden op de gekleurde handen gelegd.

Weer buiten zie ik groepjes mensen bij elkaar staan. Twee weken geleden stonden ze misschien ook wel bij het zwemwater van de Kasteelse Bossen. Toen Dré nog op zoek was naar de ster van Bethlehem. Daar is die misschien nu wel een stapje dichter bij in de buurt gekomen, bedenk ik me. Maar nog meer denk ik aan Loeka, die tussen twee snikken door, vastberaden de hele Mèrthal opriep om de komende carnaval ’ook een beetje voor papa te vieren’. Ik weet het nu zeker. Mijn trom gaat weer mee. Op Dré!

Voor Astrid, Loeka en Cas
Zijn lach in een krul

Buikorgel en eigen tekst

Op donderdag 17 december vorig jaar tijdens het Eindejaarsfestival twee keer een sessie mogen geven. Eigen teksten voorgedragen op muziek van mijn buikorgel. In een prachtig ingerichte ruimte in het Gasthoês (dank aan Thijs Houwen) mocht ik twee keer zo’n dertig collega’s ontvangen. Videograaf Wim Wijnhoven heeft het vastgelegd en bij deze doe ik hetzelfde, maar dan op mijn blogsite. Het eerste gedicht is gemaakt naar aanleiding van een ontmoeting bij een ziekenhuis met iemand die was opgegeven. Het tweede gedicht gaat over Aylan, die in september 2015 aanspoelde op een strand in Bodrum. Het derde gedicht is getiteld ‘Moeie alde meense blieve aaltied joong’ (Voor hen die het Horster dialekt niet machtig zijn: Mooie oude mensen blijven altijd jong.

Blijven geloven in het beste

Onderstaande column is voorgelezen in de radiorubriek Wört van de lokale omroep Reindonk. Voor en na de column toepasselijke muziek van de soundtrack van ‘O brother, where are thou? Vóór de column het nummer ‘I’m a man of constant sorrow’ (Soggy Bottom Boys, featuring Dan Tyminski) en na de column ‘Keep on the sunny side’ (The Whites). Voor wie dat wil horen, in combinatie met de column: Klik hier

Een nieuw jaar. Drie dagen na nét zoveel koningen iedereen toch nog de beste wensen. Laten we er met z’n allen iets van proberen te maken, van dat nieuwe jaar. Want wat hèbben we het elkaar gewenst, de afgelopen week. Het allerbeste. In gezondheid, in liefde, in alles wat wenselijk is. En iedere keer van harte gemeend, daar ga ik even voor het gemak van uit. Maar kunnen we het met z’n allen waarmaken, dat allerbeste?

Gaan we dat überhaubt óóit nog eens voor elkaar krijgen? Het allerbeste voor iedereen? Je hoeft niet heel lang tv te kijken om van het tegendeel overtuigd te raken. Al op de vóórpagina van welke krant dan ook zie je dat het allerbeste vaak niet goed genoeg is. De rest van de krant bevestigt dat beeld, pagina na pagina. En op social media is het allerbeste voor de één, als een rode lap op een stier voor de ander.

Nee, met z’n allen worden we het over het allerbeste niet heel snel eens, is mijn stellige overtuiging. Maar ik vraag me af of eensgezindheid daarover eigenlijk wel wenselijk is. Moeten we wel zoveel woorden vuil maken aan het elkaar overtuigen van het eigen gelijk? Ligt het niet meer voor de hand om naar elkaar te luisteren in een poging om elkaar beter te begrijpen? Mijn gedachten gaan wat wanordelijk door m’n hoofd, merk ik. Even pas op de plaats.

Ik blader wat door het januari-nummer van het Filosofie-magazine om wat inspiratie op te doen. Mijn oog valt op een uitspraak van Confucius, toch niet de eerste de beste: ‘Een mens heeft twee oren en één mond om twee keer zoveel te kunnen luisteren als te praten’. Hmm. Dat is met het oog op het bovenstaande wel een hele aardige. Ik blader nog wat verder. Vaak ordenen citaten mijn gedachten. Neem deze: ‘Als een uitspraak een gevoelige snaar raakt, maakt dat die uitspraak nog niet waar’. Ook mooi.

Die uitspraak komt uit de rubriek ‘Denkfouten’. Leuk om daarin vervolgens de uitspraak van science fictionschrijver Philip K. Dick te lezen: ‘De werkelijkheid is datgene wat weigert weg te gaan wanneer je ophoudt er in te geloven’. Zo’n citaat raakt bij mij toch wel een gevoelige snaar. Het zet mijn gedachten even in een nieuw perspectief.

De werkelijkheid van alle dag is in mijn ogen op dit moment namelijk zeker niet het allerbeste voor iedereen. Toch moet en wil ik er in blijven geloven, in dat allerbeste. En er zelf naar handelen, naar eer en geweten. Niet dat ik denk dat het allerbeste dan per definitie waarheid wordt. Maar ik hoop wél dat de wrange werkelijkheid van vandaag in de toekomst toch een keer ten goede zal keren. Hoe? Door in het allerbeste te blíjven geloven en er naar te kunnen blíjven handelen. Dat wens ik iedereen toe.

 

Wish you were here

De laatste avond van 2015. ’Radar love’ wordt net aangekondigd. Nr 31 van de top 2000. Op de muziek na is het heerlijk rustig binnen. Buiten niet. Regelmatig knalt er al vuurwerk. Zojuist even gaan kijken en warempel. Iemand is zijn kruit al aan het verschieten. Verslaafd aan het genot van kortdurend succes. Hoop die piepend en fluitend elke keer onverbiddelijk in rook opgaat.

Ondertussen is ook ’Paradise by the dashboardlight’ afgelopen. Als ik er per alinea steeds twee nummers over doe, dan wordt het nog wel een verhaal. We hebben zojuist een fles Prosecco opengemaakt. Nog nooit geproefd. Valt niet tegen. Ik schenk me nog een glaasje in. Kan makkelijk tijdens de reclame voor het nieuws van 21.00 uur. Of ik wil weten hoe ik schathemeltjerijk wordt… proost.

In Dubai is de brand in een wolkenkrabber van 63 etages onder controle. Het voorprogramma van de vuurwerkshow die daar vlak in de buurt gepland is? Gelukkig geen gewonden. Opnieuw de vraag hoe ik schathemeltjerijk wordt, in de reclame na het nieuws. Nog eventjes en dan weer een uur lang muziek. Eerst nog Kruidvat en Lidl. Daar hoef je niet schathemeltjerijk voor te zijn. Afijn.

’Viva la vida’ van Coldplay wordt afgekondigd. „Nog 27 liedjes”, vertelt de DJ. Stevige muziek in het verschiet. ’Thunderstruck’ van AC/DC. Past wel bij de knallen die buiten nog steeds te horen zijn . Verbaasd hoor ik, na een stevige gitaarsolo, ineens een hees smurfenstemmetje over thunder zingen. Apart. De dj is Stefan Stassen, hoor ik nu. Mooi. Net als de rust van Johnny Cash. Ingetogen levenswijsheid van een van zijn laatste cd’s. ’You could have it all, my empire of dirt’. Hurt. Wat een gevoel.

Inleidende woorden nu voor Dire Straits. ’Sultans of swing’. Heb ik niet zoveel mee. Leuk deuntje, maar te vaak gehoord denk ik. Eens luisteren of ik een aardig zinnetje kan opvangen. ’He’s got a daytime job, he is doing allright’. Mwah. ’It ain’t what they call rock and roll’. Nee, inderdaad. De top 2000 is dit jaar 3 uur eerder begonnen om lange nummers helemaal te kunnen draaien. Voor sommige nummers is dat een goede zaak. Voor andere had dat niet gehoeven.

U2 met ’One’. Liedje dat gaat over acceptatie, ik citeer de DJ. ’Is it getting better?’ zingt Bono. Ik weet het niet. Net zo min hoe lang dit liedje duurt, maar hiervoor hadden ze wat mij betreft ook niet drie uur eerder hoeven te beginnen. Ik krijg ineens zin om champignonragout te gaan maken. Daar heb ik vanmiddag van die lege bladerdeegbakjes voor gekocht, met zo’n bladerdegen dekseltje. Groot uitpakken voor vanavond dacht ik nog. Zo vaak is het niet 31 december 2015.

’Nothing else matters’. Dan kun je ongeveer uitrekenen hoe lang het duurt om champignonragoutpasteitjes te maken. Tel daar wel een kwartiertje vanaf, want ik had de bladerdeegbakjes eigenlijk in de oven moeten doen. Niet gelezen van te voren. Ze leken zo kant en klaar. Evengoed waren ze verder prima te eten. Met prosecco zelfs aan te bevelen. Een foto ter illustratie. En meteen ter afsluiting. Nog anderhalf uur en dan is het 2016.

in alles zit een lach

Laten we lachend het nieuwe jaar ingaan. Ik wens iedereen toe dat in elke nieuwe dag een lach gevonden wordt. Maakt niet uit waar of waarmee. Met champignonragoutpasteitjes als er niks anders voorhanden is. Maar laten we dat vooral met elkaar doen. Niemand uitgezonderd. ’Wish you were here’, van Pink Floyd, straks op nummer 9, is in dat opzicht een prachtig nummer. Toen al. En nu nog meer.

The eyes of Jenny

De top 2000 klinkt opnieuw door de kamer. ‘Memories’ van Earth & Fire’. De start voor weer een verhaal dat gebaseerd is op muzikale prikkels. Dat eerste nummer is dan meteen een mooie. Herinneringen. Bijvoorbeeld aan twee dagen geleden. Toen heb ik ook een kort verhaal geschreven terwijl ik dacht dat ik luisterde naar de top 2000 op NPO2.

Ik vond het al vreemd dat er geen dj tussen de muziek te horen was. Toch weet ik zeker dat ik wel een keer de jingle hoorde van de top 2000, maar waarschijnlijk heb ik op een vreemde manier een editie van eerdere jaren beluisterd. Zelf heb ik vanochtend al wat lijsten van vorige jaren doorgespit. De nummers die ik gehoord heb -het was 25 december tussen 11.00 en 13.00 uur- kwam ik echter niet tegen. Als toevallig iemand de nummers waarover ik eerste kerstdag heb geschreven ook heeft gehoord, dan hoor ik daar graag meer over.

Ondertussen is het nieuws van 11.00 uur voorbij en is het eerste nummer ‘Close to you’. Zoetsappig. Uit 1970 lees ik in de lijst. Verder niet teveel woorden over vuil maken. ‘O, what you do to me’ is een regel uit het refrein dat ik nu hoor. Het lijkt alsof de Plain white T’s ‘Oos, what you do to me’ zingen. Misschien doen ze dat ook wel en hoor ik weer gewoon wat ik wil horen. Ook hier, als iemand de oplossing weet…

Ja, dat klopt dan wel weer. Een absolute beginner, zo voel ik me wel eens als het over muziek gaat. Lou Reed zingt erover. Ook hier merk ik dat ik moeite heb om de tekst te verstaan. ‘To lay down the hardlines’? Heb ik dat goed verstaan? Zou iemand ook dyslektisch voor muziek kunnen zijn?

Abba nu, ‘gimme, gimme, gimme’. Het meeste kan ik weer niet verstaan, maar goed, die kwamen dan ook uit Zweden geloof ik. Ze willen een man na middernacht meen ik te kunnen vertalen. Maar ze hadden Benny en Bjorn toch? Of zouden die vaak niet thuis zijn geweest?

Ik ga koffie zetten.

Ben ik weer. De trein naar Georgia heb ik gemist. Hoorde nog wel dat het om de trein van middernacht ging. Iets voor Agneta en Frieda om daar hun mannen mee te laten komen?

De dj van dienst leidt sommige nummers in met de ‘live’ (want opgenomen?) motivatie van luisteraars, die uitleggen waarom zij het betreffende nummer zo speciaal vinden. Opnieuw Lou Reed, nu met de intro van ‘Sweet Jane’. Uit 1974 lees ik. Toen was ik veertien. Brugklas gehad denk ik en misschien wel in Meerssen op werkweek met mijn 2-atheneumklas. Of in voorbereiding daarop. ‘We wonna get starting something’ zou toen best eens een reden kunnen zijn geweest voor die werkweek, associeer ik Michael Jackson vast aan mijn herinnering.

Ik denk dat ik Sandy Coast maar eens ga gebruiken om dit verhaal met de rest van de wereld te delen. ‘I can live for another 1000 years…’ of zingen ze ‘I can’t…’? Dat laatste lijkt logischer.

‘no more worries, no more fears’. Die Jenny moet hele mooie ogen gehad hebben.