Rust

Volksliedtraan
van Koreaan
sliding tackle
Afrikaan
noppenschoen
op enkelband
voetbalknie
en zwabberbal
oranjegek
kanariegeel
hup Mandela
Vuvuzela!
Och. Leeuwenhart
noch pantertrots
na week of drie
niks beter nie
wèl Van der Vaart
maar welvaart? Nee..
want voetbal ‘k nie
niks beter nie…

De wereld is goedkoop

Een dikke zes miljoen hits op google als je ‘tweedehands’ als zoekwoord intikt. Zes miljoen…. Een getal dat je een poosje zorgvuldig door je hoofd moet laten botsen. Ik weet even niet hoe ik in die overpeinzing van google terecht kwam op de site van het CBS, maar daar lees ik dat in 2040 ons land bijna 18 miljoen inwoners telt. Ongeveer één miljoen meer dan nu, in 2010. Waar wil ik naar toe? Naar het beeld dat nu, met wat fantasie, dus al bijna één op de drie Nederlanders gerelateerd kan worden aan het begrip ‘tweedehands’. De één koopt iets nieuws en de ander koopt het een keer over (tweedehands). De derde heeft dan weliswaar nog even niks maar dat is slechts een kwestie van opnieuw iets meer tijd. De tweede verkoopt het namelijk ‘als nieuw’ door aan de derde en voila…wéér zes miljoen tweede- of eigenlijk derdehandsjes. Wij nederlanders zijn een handelsvolk…

Het idee intrigeert me. Op google tik ik voor de aardigheid ook ‘derdehands’ in. Iets meer dan 17.000 hits. Hmm… Da’s nogal een verschil met die zes miljoen. Mag ik daaruit heel kort door de bocht concluderen dat met ‘nieuw’ en ‘tweedehands’ onze productiecirkel al zo’n beetje ophoudt? Daar staan we dan met ons milieubewuste recycle-gedrag. Hoezo ‘cradle-to-cradle’-gedachte? Nee, dat kan niet zijn. Het grote verschil zal vooral wel liggen aan onze creatieve handelsgeest en VOC-mentaliteit (VOC als in Vooral Ongebreideld Cashen…). Derdehands is –creatief handelend gesproken- namelijk net zo iets als tweedehands, maar dan een beetje later op de tijdlijn. Met andere woorden, van die zes miljoen tweedehandsjes zijn er waarschijnlijk ook een heleboel derde- of meerderhands. Maar dat zeggen we er niet bij. Want dat levert niks op. Nee. Wij Nederlanders zijn meer van de ‘als nieuw’-, ‘van een oud vrouwtje’-, ‘niks geleden’- en ‘altijd in de garage gestaan’-uitspraken. En het aardige is dat dat precies is wat we als klant willen horen. Zes miljoen keer als het moet. En dan maakt tweede-, derde- of vierdehands niks uit.

Maar toch, even voor de aardigheid. ‘Vierdehands’? 1650 hits. Vijfdehands? 752! Zesdehands loopt dan vreemd genoeg opvallend op naar 1410. Zevendehands komt op 223 en dat aantal blijft redelijk in stand, tot aan de ‘negatieve uitschieter’ bij negendehands (slechts 6 hits). Tiendehands daarentegen zit weer op 700. Elfdehands komt helemaal niet voor in google, maar twaalfdehands scoort weer een kleine 200 keer. Daarna blijft het allemaal schommelen in de tientallen. Ook honderdstehands scoort nog achtentwintig keer. Met andere woorden, het blijft maar doorgaan. Duizendstehands? Twee keer. Dat zouden u en ik kunnen zijn. Maar dat zou betekenen dat óf u, óf ik iets negenhonderdnegenennegentigstehands moet hebben aangeschaft… Typ dat maar eens in. Net als elfdehands zero hits…Eindconclusie van dit alles: De wereld is, behalve goedkoop, vooral tweedehands en wij lullen daar vervolgens een puntje aan. Met een leugentje zelfs als het moet…maar wel voor eigen bestwil. Want wie wil er nou niet een goedkope Mercedes 500 SEL die van een oud vrouwtje is geweest…

Groener aan de overkant…

Het moet geen enkel verschil maken. Je bent zo jong als je je voelt. Dus ook al wordt je 50, dan kun je je best 40 voelen. Of jonger. Geen speld tussen te krijgen. Dacht ik tot een paar dagen geleden. Toen werd ik 50…

En dan gaat zo’n speld toch een beetje prikken. Geen grote schade hoor, maar zo nu en dan een steekje. Een korte gedachte, een snel gevoel. Een simpel sommetje. Momentjes van twijfel. Waarop je je in alle eerlijkheid afvraagt: En nou? Wat heb je nu bereikt in je ‘jonge’ leven? Je dacht vroeger toch –het moet ongeveer op je dertigste zijn geweest- aan die dag dat je vijftig zou gaan worden. Dat je dan toch wel in alle opzichten ‘gesetteld’ zou zijn? Dat je op je vijftigste toch wel zo’n beetje alles geregeld zou hebben. Alles waarvan je toen eigenlijk ook al niet goed kon omschrijven wat dat dan was. Maar als je vijftig werd, dan zou je dat toch zeker wel weten? Dan zou je –dat wist je toen heel zeker- op dat groenere gras aan de overkant staan.

Nee dus. Althans. Het voelt nog als dat beginnende gazon van toen. Nog steeds alsof het allemaal moet ‘groeien’. Het totale geluk waarop je toen al zinspeelde. Dat is er nog niet. En al doomdenkend realiseer je je dat de tijd toch wel gaat dringen. Op je dertigste kon je je die twijfel nog wel permitteren. Laat dat gras nog maar even groeien. Pas gezaaid, niet betreden…Begrijpelijk. Maar op je vijftigste? Het gras aan de overkant is nog altijd groener. Je ziet het met lede ogen aan. Je kijkt naar de mensen aan die overkant. Naar al die mensen die er naar jouw inschatting van dat moment al wél zijn. De succesvollen. De geslaagden. De happy few. Je zou ze willen toeschreeuwen, daar aan de andere kant, hoe zij het wel voor elkaar hebben gekregen. Welke wegen hebben zij bewandeld? Welke paden heb jij dan gemist? Hoe is het zo gelopen? Hoe niet? En als de twijfel het grootst wordt, dan doe je dat gewoon. Je vraagt het de eerste de beste winnaar aan de overkant. In vertwijfeling roep je hem toe. ‘Hoe kom ik aan de overkant?’. En het gekke is dat het niet meteen bij je binnenkomt als hij terugroept: ‘Daar sta je al’…

Capaciteiten

uitbouwen vanuit zekerheid
of groeien vanuit twijfel
Maar eh…
wie geeft het antwoord
als je jezelf vragen stelt…
als denken direct doen is
of doen zoals bedacht
dan eh…
geef ik het antwoord
op de vragen die je stelt…

Dodenherdenking…

De vierde mei. De dag van dodenherdenking. Vandaag een paar minuten stilte om te herdenken dat ‘we’ in ’45 zijn bevrijd. Zelf ben ik van ’60, dus van die bevrijding weet ik heel weinig. Maar ik besef dat het terugdenken aan mensen die je dierbaar zijn sowieso een goede zaak is. Daarom loop ik zo nu en dan over het kerkhof om vervolgens altijd even stil te staan bij het graf van mijn vader en moeder. Gisteren ook weer. In gedachten verzonken werd ik daar ineens getroffen door het beeld van dat moment. Ik heb dat vastgelegd in deze foto.

Bij het graf van mijn ouders
Bij het graf van mijn ouders

De schaduw, die over het graf valt, is van mij. Wat me intrigeerde was de zon die mij ‘projecteerde’ op de aarde. Dat ‘voelde’ goed… Het is waarschijnlijk totaal niet vergelijkbaar met het gevoel van ’45. Niettemin, heel even had ik daar mijn eigen vrijheidsmomentje. Niet de meest voor de hand liggende plek om blij te worden, maar toch. Even werd ik daar ‘geraakt’. Of moet ik zeggen, mocht ik ze daar een momentje ‘aanraken’? Ik hoefde daar niks voor te doen. Het was een cadeautje, van de zon die me met de aarde verbond. Vlak naast hen. En heel even waren we allemaal samen…

De eerste keer…

Mijn eerste keer was op mijn achttiende. Een beetje gemiddelde leeftijd denk ik maar zeker weten doe ik dat eigenlijk niet. Hoewel, als ik er over nadenk, dan was ik misschien wel vrij jong. Je moeder hoort niet te sterven als je pas achttien bent, toch? Ze stierf in mei, midden in mijn examenperiode. De dag voor Nederlands opstel. En twee dagen voor Wiskunde. Dat vertaalde zich uiteindelijk in respectievelijk een negen en een anderhalf. Op mijn eerste examen zou een jaar later een tweede keer volgen…herkansing was geen optie. Ik zat daar toen niet zo mee. En nu ik dit zo opschrijf zie ik pas de wrange paradox: de dood geeft ook geen herkansingen… Mijn moeder was dood. Bleef dood.

Niet al mijn broers en zussen gingen naar haar kijken. Sommigen wilden de herinnering aan haar niet blootstellen aan het onbekende. Die keuze had alles te maken met het gegeven dat mijn moeder in onze kindertijd vaker opgenomen was in overspannen en psychotische toestand. Elke keer kwam ze dan gelukkig ook weer thuis. Alleen die keer in mei niet… Ze stierf in de inrichting en daar lag ze ook opgebaard. Ik zag op tegen die laatste ontmoeting, maar ben wel gegaan. Het was de eerste keer dat ik een dode zag. Mijn overleden moeder. Een hele vreemde gewaarwording…

Ze lag daar. En er lag een briefje bij. Haar naam stond er op. Dat briefje heb ik als heel dubbel ervaren. Oneindig overbodig en tegelijkertijd zo elementair allesomvattend. Het was er koud. Of misschien was ik dat zelf wel. Ik kan me er verder niet zo veel van herinneren. Ik weet bijvoorbeeld niet wie er naast mij nog meer bij haar was. Ik denk achteraf dat de spanning van het moment me verdoofde. Rouw, nog in de beginfase van ontkenning. Mijn verdriet en pijn, gevangen in een wellicht noodzakelijk maar op dat moment ijzig kil verwerkingsmechanisme. Ze voelde ook koud…

Weer thuis ben ik alleen het bos ingewandeld. Heb ik elke boom toegehuild. Uitgeschreeuwd wat ik niet begreep. En het bos troostte in stilte. De warmte van mei, ze werkte voor mij.

Ik heb het verdriet kunnen delen. Met mijn broers en zussen. Met mijn vader. Met familie en bekenden. Een paar dagen lang. Heel intens. Thuis. Tijdens de begrafenis. Bij de dienst in de kerk. Waar het licht van de zon door de donkerrode glas-in-lood-ramen naar binnen scheen. Toen we achter haar aan de kerk uitliepen, viel er een roos van haar kist. Die heb ik opgeraapt omdat ik voelde dat die voor mij was. Net zoals de mei-zon in het bos toen voor mij was. En uiteindelijk van iedereen werd. Elk jaar weer opnieuw. Van mei, naar mei, naar mij. Dankzij…die eerste keer!


Toch is het best leuk…

Morgen naar de Efteling. Met de hele familie. Beloofd is beloofd. Beelden van ontelbaar veel mensen schieten door mijn hoofd. Heel veel lotgenoten, die we morgen bij herhaling zullen tegenkomen. Hoe drukker, hoe vaker. De slimme wachtrijhekjes zorgen ervoor dat het grootste deel van de dag wordt doorgebracht met het stiekem kijken naar andere mensen. Zien hoe zij omgaan met hun minder geduldige kinderen. Daar tegen afzetten hoe wij omgaan met die twee van ons. Snoepjes en broodjes zijn al ingepakt om aan de ergste nood tegemoet te komen.

‘Als u hier bent is de wachttijd nog één uur’, lees ik, terwijl ik daar nog een zestal rijen vanaf sta. Shit. Achter mij krijgt een ventje een duw. Hij staat met z’n voet op een hand van een wildvreemde. ‘Niet op het hek lopen, dat heb ik je nu al vijf keer gezegd’ probeert zijn moeder de situatie te redden. Te laat. Het ventje is opnieuw schuldig en blijkt de rest van de vijftien rijen niet meer te troosten. Ik ben nu dáár waar de wachttijd nog een uur is. Kijk met enig medelijden terug naar de plek waar ik zes rijen geleden stond. Daar staan nu weer mensen die ook naar mij kijken. Ik zie dat we hetzelfde denken, maar dan omgekeerd. Dat geeft enige verlichting, maar toch. Gelukkig is het herfstvakantie, anders hadden we ook nog ontiegelijk last gehad van wespen. Normaal rent mijn zoontje dan weg, maar dat gaat niet tussen die hekjes. Het enige wat dan helpt is het vakkundig wegslaan van die beestjes. Probleem is dat anderen dat veel minder vakkundig doen. Maar goed. Daar hebben we nu gelukkig geen last van. Het is herfst. Het regent. Althans, dat deed het net. Nu kan ik dat niet meer zien, omdat ik net een paraplu in mijn oog heb gekregen maar ik ga er vanuit dat het nog steeds regent. De moeder van dat jongetje probeerde net nog wat te redden door een snoepje in haar tas te zoeken. Dat lukt niet met een paraplu… Sorry, meneer! Ja, sorry, ja!! denk ik heel hard, noodgedwongen knipogend. Als ik sta waar het nog een half uur is, denk ik terug aan het vorige half uur. Ik maak mezelf wijs dat dat heel snel voorbij ging. Voor m’n eigen gemoedsrust geloof ik mezelf.

En jawel. Ineens zitten we in de Vogelrock. In anderhalve minuut weer buiten, met een tweetal whiplashes, links en rechts. ‘Waar gaan we nou in, pap?’ ‘In de auto’ denk ik maar ik zeg wat anders. Het is tenslotte maar één keer in de zoveel tijd. Hoeveel tijd? Als u hier staat nog maar een uur…
Morgen gaan we.

Mist op de ziel…

Daar stond ik, op de gesloten afdeling van het verpleeghuis. Hier zaten de mensen die zichzelf aan het verliezen waren of zichzelf al hadden verloren maar niet meer zelf mochten verdwalen. Daar stond ook de man die steeds opnieuw machteloos vroeg om hem te helpen zoeken. Onbewust van het hopeloze en pijnlijk dubbelzinnige van die voortdurende vraag. Want ‘hij’ was niet meer te vinden, terwijl je hem toentertijd nooit meer hoefde te zoeken… De deuren waren gesloten. De laatste jaren heeft hij daar geleefd, begrijpelijk, maar vol van angstig onbegrip. Voortdurend op zoek naar wat er niet meer was… confronterende contrasten. Uiteindelijk bleef van hem slechts de buitenkant over. Een lieve huls. Een mooi boek zonder woorden. Vertaald in herinnering.

Ik ben opnieuw op de gesloten afdeling van het verpleeghuis. Bij de vrouw die niet meer weet dat ze de moeder is van mijn vrouw. Die kwijt is dat ze de oma is van mijn dochter. De buitenkant is er nog, maar de binnenkant raakt langzaam leeg. Zij woont tussen nog dieper demente bejaarden die –wrang maar godzijdank ook zielsgelukkig- in poppen en knuffels geborgenheid en veiligheid vinden. Van binnen zó oud, dat ze aan de buitenkant weer kind worden. Het zijn allemaal voelbare, zichtbare of hoorbare tegenstellingen. En iedere keer opnieuw zo confronterend. Als je dement wordt dan verlies je jezelf. Verlies je vandaag en morgen. En als het proces van binnen maar lang genoeg doorgaat dan verlies je gisteren ook. Dan blijft er enkel grijze dofheid over in de ogen. Dan zit er mist op de ziel…

Heel soms is die mist wat minder dicht. Trekken er flarden op en zijn er tekenen van herkenning. Het boek gaat een momentje open en een paar regels worden leesbaar. Door een aanraking, een beeld of een geluid is er even contact met de werkelijkheid. Het wordt door zonen en dochters gekoesterd als spaarzame bewijzen van bewustheid. Steeds zeldzamer wordende momenten van zielsgeluk… Even gevonden wat kwijt is. Een paar tellen vastgehouden, gekoesterd en dan noodgedwongen weer laten gaan. Het kan helaas niet anders. Je moet het loslaten… Je moet háár loslaten. Achterlaten in geslotenheid. Maar die pop, die mag ze houden. Houd ze maar stevig vast en knuffel haar… vandaag… dag mam…tot morgen. Of tot gisteren… Waar je ook bent. Dag mam…

Relatief…

Vanmorgen iemand gesproken die was opgegeven.
‘Ha’, zei hij moedeloos, toen we elkaar in het vizier kregen. Hij zat in een rolstoel, vóór de ingang van het ziekenhuis in Venray. Zijn gezicht zag er opgezwollen uit en ik herkende hem maar net. ‘Ha’, herhaalde ik, ietwat angstig opgewekt. ‘Hoe is het?’. Trillend ging zijn magere hand met een halfopgerookt shaggie naar zijn mond. ‘Kappes kook’ zei hij. ‘Niks mier aan te doon…’. Hij keek me aan met een blik die het midden hield tussen berusting en ongeloof. Teneergeslagen. We hadden hem een paar weken eerder nog in Horst gezien, bij het Centrum. Daar viel op dat er aan hem ‘gesleuteld’ was. Een groot litteken aan zijn hoofd en een kale plek lieten niets te raden over. Hersentumor hoorden we later…
Toevallig gisteren, na het vreselijke bericht van Peter, nog over gehad. ‘Hoe zou het trouwens met Ger zijn?’.
Nou, daar zat hij. Niks was het. Een hoopje levende ellende. Pyama aan, badjas open, bezig aan wat een van zijn laatste shaggies leek. Opgegeven… Alles is in één keer eindig.

Herhaaldelijk wisselden onze blikken elkaar. ‘Shit man’… Hij knikte, als overbodige bevestiging en nam weer een trek van zijn sigaret. ‘Rekke, daat is ut iënige nag’… Weer stilte. Ongeloof en berusting. ‘Sterkte durmei’ zei ik en legde even een hand op zijn schouder.. Wat kun je meer doen als niemand meer iets kan doen?
Het heeft me de hele dag bezig gehouden…
Ger, opnieuw sterkte. Voor jou, voor je vrouw en je kinderen. Voor de familie en voor iedereen die soortgelijke klappen krijgt te verwerken. Het maakt veel dingen heel relatief. Uiteindelijke leven we allemaal maar met geleende tijd. Hopelijk heeft iedereen in die tijd nog heel veel waardevolle momenten. En laten we dat elkaar vooral ook gunnen. Aan heel veel kunnen we namelijk wel wat doen.

Negatief bericht…

Bewuste artikel in de Limburger

Een grote foto op de voorpagina van de Limburger. Een demente vrouw van 94, kijkt met grote, verschrikte ogen in de camera van de persfotograaf. Haar twee zoons van middelbare leeftijd lijken voor dezelfde foto ietwat ongemakkelijk volop aandacht voor hun moeder te hebben. Wat is er gebeurd? Gisteren heeft een taxichauffer moeder buiten in de vrieskou gezet, in de veronderstelling dat er iemand thuis was, die haar binnen zou laten. Dat was niet het geval. De chauffeur vertrok en pas twee uur later kwam één van de twee zoons thuis. Samen met zijn broer heeft hij zijn moeder met warme doeken weer op temperatuur gekregen. Gisteren las ik dat bericht en had uiteraard met de vrouw te doen. Ook met de taxichauffeur, want ik kan me niet voorstellen dat hij de oude dame expres in de vrieskou heeft achtergelaten. Een hele vervelende vergissing, die méér zegt van het huidige zorgstelsel, dan van de chauffeur. Vond ik gisteren.

Vandaag staat die foto op de voorpagina. Met een vervolgverhaal. En dan wordt het ranzig. Even voor het beeld. Zoon 1 zit links van zijn moeder en houdt haar hand vast. Zoon 2 staat rechts van zijn moeder en lijkt haar zitkussen wat op te schudden. Moeder kijkt recht in de lens van de persfotograaf en weet, net zo min als gisteren, wat er vandaag weer allemaal met haar gebeurt. Gisteren heeft ze ongetwijfeld kou gevoeld, maar daar weet ze met grote waarschijnlijk vandaag niks meer van. Vandaag voelt ze twee mensen links en rechts van haar die met haar bezig zijn. Ze voelt ook de voorpoot van een klein hondje, type asbak, dat speciaal voor deze gelegenheid op de foto erbij lijkt te zijn gezet. Terwijl dat allemaal aan, naast en bij haar gebeurt, flitst er vóór haar een lamp. Misschien wel meerdere keren, als ik haar verschrikte blik even heel vrij interpreteer. Want de foto voor de krant moet wel uitstralen dat het écht heel verschrikkelijk is wat er gisteren met moeder is gebeurd…

‘Ze hebben haar gewoon gedumpt’ vertelt zoon 1. De krant vertelt dat de chauffeur ontslag is aangezegd en dat het taxibedrijf de familie gisteren al bloemen en excuses heeft aangeboden. Met tranen in de ogen van boosheid (volgens de krant) gaat zoon 1 verder ‘Gewoon gedumpt. Ik laat het er niet bij zitten’.. En op de redactionele pagina wordt de (krokodillen)tranentrekker vervolgd… Na alle goeiigheid (hij is zelf vrijwillig thuishulp, zelf al tien jaar WAO-er, verzorgd zijn moeder al tien jaar) vertelt zoon 1 dat moeder in 2009 weliswaar op maandagen altijd twee uur eerder thuis wordt afgeleverd, maar dat hij geen bericht had gehad dat dat in 2010 ook zou gebeuren. ‘Maar daar gaat het niet om’, weet zoon 1. ‘Je laat niemand alleen achter bij de woning’. Hij heeft al contact met een letselschade-advocaat en stapt nog naar het bureau rechtshulp…

Een hele vieze smaak krijg ik erbij. Bij de krant, die op een Story-achtige manier deze emo-boodschappen een dag later ‘journalistiek’ opnieuw wegzet in een achtergrond-interview. Is het ook in de winter komkommertijd vraag ik me af? Maar vooral heb ik moeite met de stelligheid van zoon 1, over de ‘onmenselijkheid’ van de chauffeur. Het komt blijkbaar niet bij zoon 1 op, dat hier sprake zou kunnen zijn van een vergissing. Dat de chauffeur diezelfde dag waarschijnlijk in een strak opgelegd vervoersschema van elke keer drie minuten al heel veel andere demente bejaarden lekker warm thuis heeft gebracht. De taxionderneming meldt dat haar werknemer ‘in zak en as zit’ en nog nooit eerder in de fout is gegaan. Waarschijnlijk heeft zoon 1 daar geen boodschap aan. ‘Ze vertellen me niet wie de chauffeur is, maar ik hoop hem nooit tegen te komen’ is zijn kort door de bocht opmerking… Nou, zoon 1, maak je maar niet ongerust. Als je niet thuis bent om je eigen moeder binnen te laten, zul je ook nooit een chauffeur tegen komen…

Verdrietig. Heel verdrietig. Aai het hondje nog maar en blijf maar verontwaardigd roepen dat je moeder gedumpt is. De vraag is alleen even door wie? Hopelijk begrijpt je moeder het wel…