Afscheid

Jaren geleden zag ze nog. Hoorde ze nog de stemmen van haar kinderen en kleinkinderen. Toen liep ze nog genietend door haar tuin, die elke zomer vol stond met bloemen. Het was haar lievelingsplekje. Daar leefde ze. Met liefde geteeld. In liefde gedeeld. Daar kleurde ze als het ware met de bloemen mee en ademde hun geuren in. En alles wat groeide en bloeide voelde zich liefdevol door haar gestreeld.Toen…

92 is ze geworden. De laatste zestien jaar in het donker omdat ze destijds in korte tijd nagenoeg blind werd. Een paar jaar geleden kwam daar de stilte bij, omdat haar gehoor steeds minder werd. En voor zover dat te zien of te merken was, leken ook haar herinneringen te vervagen. Op den duur herkende ze zelfs haar kinderen niet meer. Haar spraak werd meer en meer onverstaanbaar en er was uiteindelijk nauwelijks contact mogelijk. Zacht aaien of knuffelen ging nog wel, maar alleen als ze het toeliet. Van het definitieve afscheid lijkt ze nagenoeg niets te hebben gemerkt. Ze stopte op zaterdag met eten, dronk niet meer en hield op dinsdag rustig op met zijn. Moeder stierf. Haar negen kinderen waren er bij en gunden haar die rust. Het was goed zo. Maar toch…

Verstandelijk is er vrede met de situatie maar emotie laat zich daar niet door leiden. Vanzelfsprekend is er de kou van het loslaten. Maar gelukkig bij vlagen ook de warmte van het vasthouden. Ieder ondergaat het afscheid en het einde van het kind-zijn op z’n eigen manier. En dan mogen de zoute tranen van de één even in een schril contrast zijn met de zoete herinnering van de ander. Zo sterk als ze zestien jaar met z’n allen zijn geweest, zo kwetsbaar zijn ze nu individueel. Met z’n negenen zo op zichzelf aangewezen. Hun moeder –’ôs Moek’-  is dood. Geen ouders meer. Niet in deze wereld, althans.

Ze ligt opgebaard bij één van de kinderen thuis. Buiten in de tuin staat de houten deksel van haar kist. Aan de binnenkant ervan schrijven we lieve woorden. Tekenen we bloemen. Voor haar. Maar ook voor elkaar. Als morgen de kist dicht gaat wordt het licht niet donker. Integendeel. Want al snel zal ze het zien. Wéér zien, wellicht, omdat ze het waarschijnlijk gisteren al gezien heeft. Toen het werd opgeschreven. En gehoord, toen het werd gezegd. Omdat alles wat groeit en bloeit zich nu alweer liefdevol door haar gestreeld weet…

 

Het regende in juli.
De zon was dagen zoek.
Dat jij besloot op reis te gaan,
dat deed je goed, ôs Moek

Lang ongezien en ongehoord.
Te stil en te veel zwart.
Loop jij nu weer door tuinen en
strooit bloemen in ons hart

Het licht is geen beperking meer.
Geluid nooit meer te zacht.
Je hoort nu zelf, dichtbij de zon,
en kijkt naar ons, je lacht…

Vakantie

Morgen naar Brielle en overmorgen naar Neeltje Jans. Als je ‘rundumhausen’ vakantie viert moet je de cirkel niet te klein trekken. Net over het midden van mijn vrije vier weken hebben we op momenten van zon zoveel mogelijk terrassen in Horst aan de Maas gepakt. En als het een keer regende (ssssjt… het noodlot niet tarten…) dan deden we ‘binnen-dingen’. Een viersterren-sudoko één keer kopieren en dan kijken wie die het snelste klaar heeft. Tussendoor Senseo zetten, maar dan wel allebéi de pennen neerleggen. Eerlijk is eerlijk.

Onze Pip heb ik vanmorgen naar Eindhoven gebracht, naar het vliegveld. Met haar vriend en zijn familie zit zij nu in Turkije. Negen dagen onder de pannen met alles er op en er aan en na terugkomst (hopelijk) bruin én een flesje factor 30 leeg. Onze Mees ging vanmorgen mee, maar vliegtuigen hebben we niet gezien. De zenuwen van Pip’s eerste vliegtuigvlucht wilden we niet onnodig rekken. Afzetten (P1) en met hetzelfde kaartje weer gratis onder de slagboom door, terug naar Horst. Een beetje sneu voor Mees, maar de belofte om in Horst bij de Mac een flurry te gaan eten maakte veel goed. Voor hen die ooit voor een soortgelijke situatie komen te staan met één van hun kinderen: de Mac is pas om 9.00 uur open…

Maar morgen dus naar Brielle. Een vestingstadje in Zeeland. Van ons uit twee uur rijden, op één minuut na, volgens Tomtom. Een belangrijk deel van de dag rondlopen en kijken hoe de mensen gevestigd zijn in zo’n vestingstad. Drie dagen geleden meende ik een hotel in Brielle te hebben gewonnen via vakantieveilingen.nl. De veiling onder de titel ‘Terug in de tijd in de vestingstad Brielle’ wekte namelijk die indruk, maar uiteindelijk bleek ik voor weinig geld een hele hotelketen te hebben gewonnen (47 stuks), waarvan er één (in Naaldwijk) nog plek had. Daar gaan we morgen, later op de middag of vroeg in de avond naar toe. Als het een beetje meezit, gaan we daar ook nog een duin over en zien we de Noordzee. Ja, ja…

De dag erop, vrijdag alweer, rijden we van Naaldwijk naar de Neeltje Jans. Dat blijkt een rit door heel Zeeland, kwam ik vandaag achter. Geen enkel probleem overigens, want we rijden over waterkeringen, waar we in Limburg jaloers op mogen zijn. Onze Mees zal enthousiast zijn en wij (dus) ook. Zo werkt dat op vakanties. Van Pip kregen we trouwens vanmiddag om 13.39 uur de afgesproken SMS: ‘we zijn geland, goddank’. Ook daar dus alom tevredenheid.

Lekker, zo’n vakantie die helemaal vanzelf over gaat. Verhuizen van blogs van jaren geleden; om het uur twee Senseo zetten, sudoko-competitietje afwerken, boeken lezen (niet ik, maar Thea), terrassen bezoeken en mensen kijken. Heel veel verschillende zijn het. Vlak bij Horst, in America om precies te zijn, liggen twee Centerparcs-parken. De gasten die daar zitten tel ik voor het gemak ook bij de ‘rundumhausen’-vakantiegangers. Zouden die ook sudoko-wedstrijdjes houden? Of zouden de trainingspakken wél voor het sporten zijn? Maakt niet uit. Ook die vakantie gaat weer over.

Over het ophalen van Pip hebben we nog niks afgesproken. Ze was er zo van overtuigd dat ze zou neerstorten, dat ons dat een overbodige afspraak leek. Die wrange humor heeft voor de helft al positief uitgewerkt. Toch maar even afkloppen, voor de zekerheid. En eerst zelf maar eens in Brielle zien te komen. Geschiedenis heeft uitgewezen dat daar ook niet iedereen levend vandaan is gekomen. Niet voor niks een vestingstadje van gemaakt, toch? Morgen zullen we het zien. En mochten er Briellenaren op het terras zitten en ons zien lopen of horen praten. Wij zijn geen duitsers. Groeten uit Horst.

Even tussendoor…

Heb je nog wel eens teruggeluisterd naar het nummer van Maria Callas, ‘La mamma morta’? Eventueel met de uitleg erbij van Tom Hanks uit de film ‘Philadelphia’? Zo mooi… Hieronder de vertaling en twee linkjes naar joetjoep.

Versie van Maria Callas
In de film ‘Philadelphia’

Italiaans
Engels
La mamma morta m’hanno
alla porta della stanza mia
Moriva e mi salvava!
poi a notte alta
io con Bersi errava,
quando ad un tratto
un livido bagliore guizza
e rischiara innanzi a’ passi miei
la cupa via!
Guardo!
Bruciava il loco di mia culla!
Così fui sola!
E intorno il nulla!
Fame e miseria!
Il bisogno, il periglio!
Caddi malata,
e Bersi, buona e pura,
di sua bellezza ha fatto un mercato,
un contratto per me!
Porto sventura a chi bene mi vuole!
Fu in quel dolore
che a me venne l’amor!
Voce piena d’armonia e dice
Vivi ancora! Io son la vita!
Ne’ miei occhi è il tuo cielo!
Tu non sei sola!
Le lacrime tue io le raccolgo!
Io sto sul tuo cammino e ti sorreggo!
Sorridi e spera! Io son l’amore!
Tutto intorno è sangue e fango?
Io son divino! Io son l’oblio!
Io sono il dio che sovra il mondo
scendo da l’empireo, fa della terra
un ciel! Ah!
Io son l’amore, io son l’amor, l’amor
E l’angelo si accosta, bacia,
e vi bacia la morte!
Corpo di moribonda è il corpo mio.
Prendilo dunque.
Io son già morta cosa!
They have killed my mother
at the door of my room
She died and saved me.
Later, at dead of night,
I was with Bersi,
when suddenly
a bright glow flickers
and lights were ahead of me
the dark street!
I looked –
My childhood home was on fire!
I was alone!
surrounded by nothingness!
Hunger and misery
deprivation, danger!
I fell ill,
and Bersi, so good and pure
made a market of her beauty
for my sake –
I bring misfortune to all who care for me!
It was then, in my grief,
that love came to me.
A voice full of harmony says,
“You must live, I am life itself!
Your heaven is in my eyes!
You are not alone.
I shall collect all your tears
I will walk with you and support you!
Smile and hope! I am Love!
Are you surrounded by blood and mire?
I am Divine! I am Oblivion!
I am the God who saves the World
I descend from Heaven and make this Earth
A paradise! Ah!
I am love, love, love.”
And the angel approaches with a kiss,
and in that kiss is death –
The dying body is my body.
So take it.
I have already died like that!

De handen van Funpop…

Deze keer een item over 28 mei 2011. Het was de zaterdag van het Funpopweekend, het festival voor mensen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking. Ik heb als vrijwilliger meegedraaid en ik had me al voorgenomen om daar een column over te schrijven. Ook omdat ik die zaterdagavond voor de lokale radio aan de beurt was  in de rubriek ‘Wört’ (woorden). Om beurten lezen we daar een verhaal, gedicht of column voor, en zaterdag was het mijn beurt. Ik heb anderhalf uur voor uitzending mijn ervaringen op papier gezet. De woorden waren nog warm, toen ik het heb voorgelezen. De opname daarvan, plus wat foto’s hieronder.

Poezieversje…

Pip

Welke wijze woordjes,
of iets wat je schrijft,
kun je bedenken,
voor liefde die blijft?

Een kus, op het voorhoofd,
die verdrietjes verdrijft?
Of een hand op de buik,
die de pijntjes wegwrijft?

Een miljoen woorden
en niets wat beklijft,
als mijn kus op jouw hand,
die verdrietjes verdrijft…

papa

Voor Ger…

Een gedicht dat ik gemaakt heb na een ontmoeting met Ger, die net daarvoor de onheilstijding had ontvangen dat er voor hem geen hoop meer was. Later heb ik het gedicht voorgelezen in de avondwake van Ger.

Eerder al had ik de tekst voorzien van muziek van mijn buikorgel en foto’s van Lei Spreeuwenberg. Hieronder het resultaat.

Jan…

Vorige week dinsdag, 4 januari, gooide Jan zichzelf voor de trein. Een man die, voor zover ik hem kende, gedurende zijn leven een toonbeeld was van evenwichtigheid. Het laatste half jaar blijkbaar niet meer. Van de begrafenismis van zaterdag is me onder andere de volgende metafoor bijgebleven: Jan had zijn hele leven -tot op het laatst- gekozen voor een ‘ijzeren lijn’.

De overlijdensadvertentie, twee dagen later op donderdag, maakte al indruk. Tekstueel pijnlijk puur en dodelijk eerlijk: ‘Zijn angst dat het niet meer goed kwam. Zijn angst voor wat de mensen over hem dachten. Onze angst is werkelijkheid geworden…’

De rouwadvertentie sloot af met de zin dat hij in een gesloten kist lag. Onwerkelijk waar… Zijn broers en zussen hadden in een tweede advertentie, ieder op een hele eigenzinnige manier, in één zin hun gevoel verwoord. Zelden in zeven zinnen zóveel gelezen. Afwisselend in dialekt en nederlands. Maar allemaal even indrukwekkend. IJzig en warm tegelijk…

– ‘zonne schonne kèl, waorum? Enne kloêtzak ziede, höjje’
– ‘hoe mooier en rijker de herinneringen, des te moeilijker het afscheid’
– ‘als jungske same gesloape, als pappa’s met z’n allen noa de zon, ’n tomeloze inzet en zorg ovver mien ciefers. Samen kaarten? Helaas!’
– ‘het voelde alsof je op oudejaarsavond al afscheid van ons had genomen…’
– ‘woorden schieten te kort’
– ‘ook jij hebt voor altijd een mooie plaats in mijn hart…’
– ‘ozze Jan, ozze Hub, ozze Jo; de 3 kanjers!’

Zijn dochter vroeg zaterdag op het eind van haar emotionele openingswoord een applaus voor haar vader. De hele volle kerk deed mee. De twee zonen vertelden hun verhaal. Ieder op z’n eigen manier. De politie had hen dinsdag tegengehouden, toen ze naar de plek des onheils gingen en, bijna tegen beter weten in, hoopten dat het niet waar was. Eén zoon vertelde dat de getoonde sleutel aan de sleutelbos akelig veel leek op zijn eigen huissleutel. Hoop verdampte helemaal toen de politie hen een pantoffel liet zien. De waarheid was onverdraaglijk hard. Het was hun vader. De man die altijd al had gekozen voor de ‘ijzeren lijn’ had dat een laatste keer ook gedaan. De tranen van de kinderen werden de tranen van de kerk.

Op het bidprentje namen zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen afscheid van hem. Opnieuw tekst die oneindig liefdevol verwoordde wat niet te vertellen valt. Namens de kleinkinderen stond er: ‘Jij leerde ons om altijd op te staan… nadat je ons eerst had omgeduwd’. Of deze: ‘We zullen nooit vergeten hoe we bij het fietsen in de Kasteelse Bossen dikke bomen gingen omplassen’… Zo mooi. Zo onwerkelijk echt. Zoals het is… Het is.

Tweede Kerstdag

Half twee ’s middags. Na twee dagen met vanalles nu even helemaal niks. Buiten vriest het net niet en binnen is het nu minder koud dan een uurtje geleden. De Volkskrant ligt in al zijn onderdelen voor me op de tafel. Net helemaal uitgelezen, met de top 2000, via de iPhone, op de oren. Op diezelfde iPhone deze indrukken aan het vastleggen. Er zijn zoveel andere dingen die ik kan doen, maar nu even niet. Eva Jinek kijkt me aan vanaf het Volkskrant magazine. Die heeft toch ook vanalles meegemaakt het afgelopen jaar. Heb ik net zitten lezen en me verbaasd hoe zoiets ‘gewoons’ zo kan exploderen in de media. En wat te denken van die Nederlander die in een vliegtuig een terrorist uitschakelde. Samen met twee anderen lees ik, maar hij werd de personificatie van de held die we allemaal willen zijn. De mediamaffia, zoals hij het omschrijft, beangstigt hem nu méér dan de terrorist waarbij hij een bom in diens kruis onklaar maakte. Het kan verkeren. Als zijn zaakje toen wel geëxplodeerd was, hadden we gewoon weer een geslaagde aanslag gehad, inplaats van een held. Wrang. We smullen met z’n allen van beide. Het leed maar ook het succes van anderen. Het is gemeengoed geworden. Via alles dat met een ‘i’ begint zijn we erbij. Vaak slechts enige seconden later dan de realiteit. We komen steeds dichter bij het punt dat we er écht live bij kunnen zijn. Nog even en we kunnen via de digitale snelweg afkortingen vinden die het mogelijk maken ruim vóór de ramp op de plek van bestemming te zijn. Utopie? TomTom leidt ons nu toch ook al om een file heen (om een andere in te rijden…).
Ach, het zal allemaal wel anders zijn dan het lijkt. Uiteindelijk ligt er wel twintig centimeter sneeuw buiten, vriest het nog steeds net niet en zingt Lenny Kravitz het nummer ‘always on the run’. Het kan verkeren.

Ik snap het niet…

Wat is een kenmerk van iets niet snappen? Vragen stellen. Er van uitgaande dat je de dingen wil begrijpen, stel je vragen. Aan anderen of aan jezelf. En dat laatste, dat houdt me bezig. Die vragen aan mezelf, daar krijg ik niet goed een vinger achter. Nog even los van de vragen zelf, is het ’t proces wat er zich in mijn hoofd afspeelt dat ik niet goed snap. Met name de vragen waar ik elke keer geen antwoord op weet. Dat lijkt zo’n nutteloze bezigheid. Hoe lang moet je dat volhouden? Jezelf vragen stellen die je niet kunt beantwoorden?

En meteen heb je er dan een vraag bij… Dat proces bedoel ik. Het denken in je hoofd. Nadenken over wat je ziet, hoort  of voelt. Woorden vinden voor wat je wil zeggen of wil opschrijven. Welke woorden kies je uit, spreek je uit of schrijf je op? En waarom juist die? Waar ligt bijvoorbeeld dat moment dat ik ‘hallo’ schrijf in plaats van ‘geachte’. En nog wat breder vertaald, wanneer voel ik me op mijn gemak en wanneer maak ik me druk? Wat raakt me en wat gaat aan me voorbij?

Dat komen en gaan van emoties en gedachten, dat houdt me bezig. Daarbij komt dat, wanneer ik iets niet snap, de ander daar een tegenovergestelde ervaring bij kan hebben. Interessant. Wat snapt hij wel en om welke reden gaat dat voor mij niet op? Vrij voor de hand liggende verklaringen als ‘opleiding’, ‘kennis’, ‘intelligentie’ of  ‘inzicht’ gaan door mijn hoofd. Al heel snel komen daar woorden bij als ‘tijd’, ‘aandacht’ of ‘bewondering’, die op hun beurt weer een balans zoeken op de taalschaal met ‘onzekerheid’, ‘jaloezie’ en ‘angst’. Allemaal interessante associaties, maar niet meteen eenduidige antwoorden op de vragen. Soms is het heel zinnig om ‘ach, laat maar even zitten’  zwaar te laten doorwegen.

Het voortdurend vriendelijk botsen van woorden en zinnen in mijn hoofd. Toevalstheorieën. Gausskrommen. Ups en downs. Vanalles. In gedachten ben ik tegelijkertijd leraar en student. Zonder kennis, maar vooral met een gemotiveerd spervuur aan vragen. Ge-weten-loos en voortdurend. Want de tijd tikt voort. Elke seconde. Elke minuut. Elk uur en elke dag dat ik bezig ben met de dingen die ik doe.

Een plezierige kant van al dat denken is namelijk het doen. Dat voelt als stage lopen bij mezelf waarbij ik mag leren van de praktijk. En zo nu en dan vind ik dan zelfs een antwoord op een vraag. Even heel duidelijk en voor de handliggend logisch. Weet je wat het volgens mij is? Het is het gevoel om in leeftijdnood te komen. De beperkte tijd, gecombineerd met de wil om iets eeuwigs achter te laten. Even vasthouden die gedachte want voor je het weet is het weer een vraag geworden… Moet je doen. Vooral doen. Snap je?

Vals…

‘Het is vals hè’? Hij stopt met zijn gitaarspel. Een beetje bedrukt kijkt hij me aan en tegelijkertijd ook in de lens van de iPhone-videocamera waarmee ik hem op zijn verzoek aan het opnemen ben. ‘Volgens mij is het vals’, beantwoord hij zijn eigen vraag. Ik stop de opname. ‘Wat was er vals’, vraag ik, omdat ik eerlijkgezegd best onder de indruk was van zijn gitaarspel en begeleidende zang. ‘Nou, alles…’. Het is even stil. Hij wil een filmpje van zichzelf op YouTube zetten. Maar het is duidelijk dat hij niet 1-2-3 tevreden is over de opname. ‘Dan doen we het toch gewoon over’, stel ik voor. Dat patroon herhaalt zich nog een aantal keren. Opnemen, terugkijken, herhalen. Dan zegt hij: ‘Jij vindt het niet meer leuk hé?’. Ik voel zijn dilemma. Hij wil duidelijk ‘kwaliteit’ maar hij lijkt me niet te willen belasten met zijn hang naar perfectie. Zijn antennes voor de gemoedstoestand van anderen zijn bijzonder gevoelig…

In al die minuten dat ik de camera zo stil mogelijk houd en hem hoor zingen en zie spelen, gaan er allerlei gedachten door mijn hoofd. Daar zit hij dan. Mijn zoon van twaalf. Zichzelf begeleidend op gitaar terwijl zijn stem heldere tonen voortbrengt. Ik zie hoe hij zijn best doet om dat samenspel zo mooi mogelijk te laten klinken. Ik geniet ervan. Gisteravond heeft hij tijdens de afscheidsmusical van groep 8 ook gezongen. Voor een volle zaal met ouders en leerkrachten. Met trots denk ik aan ‘zijn momenten’ in de musical. Vanaf de voorste rij heb ik daar genoten van zijn inzet. Maar ik heb ook de druk gezien die hij zichzelf oplegt om alles zo goed mogelijk te doen.

En ook nu legt hij de lat weer hoog. We kijken nog een keer naar de opnames. ‘Kun je daar iets van af halen’, vraagt hij, terwijl hij het resultaat van het eerste filmpje aan een kritische blik onderwerpt. Ik stel hem gerust. Ja hoor, dat kan. Echt? Ja, echt… Hij zet z’n gitaar weg en ik zet de filmpjes van mijn iPhone over naar de computer. Opnieuw denk ik na over zijn wens om zichzelf via YouTube de wereld in te zingen. Waar komt dat vandaan? Is het een kwestie van groeiend zelfvertrouwen? Aangewakkerd door het succes van zijn eerdere live-optredens voor eigen- en vreemd publiek? Ik ga er voor het gemak even van uit dat hij dat zelfvertrouwen ook als positief ervaart. Maar als dat zo is, is dat zelfvertrouwen de reden om van het live-publiek nu over te stappen naar een digitaal ‘wereldpubliek’? Een nieuwe fase in zijn zelfverwerkelijking?

Wat me bezighoudt is het volgende. Wat als die zelfverwerkelijking een wat minder positieve voedingsbodem heeft. Stel dat het geldingsdrang is. Met als bijkomend verschijnsel dat hij daardoor voortdurend op zijn tenen loopt. Moet ik hem daarvoor dan juist niet beschermen?. Bijvoorbeeld door hem te vertellen dat het goed is wat hij doet. Mooi is wat hij zingt en erg knap is wat hij speelt. Want dat vind ik met heel mijn hart. En eigenlijk zeg ik hem dat ook regelmatig. Maar doe ik dat op de juiste manier en bij de juiste gelegenheid? Want ik blijf zo nu en dan bij hem een soort van ‘kwelling’ zien. Een frustatie van het niet kunnen voldoen aan een door zichzelf opgelegde standaard. Een bij herhaling niet halen van een hoger doel.

Zou het mogelijk zijn, om hem wat minder kritisch op zichzelf te laten zijn? Zodat hij meer kan genieten van wat hij doet? Zélf blij wordt van het plezier dat hij anderen bezorgt. Zodat hij een voldaan gevoel heeft inplaats van vooral een gevoel van verbazing. Zodat hij niet alsmaar op zoek hoeft te zijn naar ‘méér’ of ‘beter’. Of… Ho. Ik dwing me om even pas op de plaats te maken in mijn gedachten…‘Het is vals hé?’ Die vraag blijft naklinken in mijn hoofd. En plotseling besef ik dat het niet meer alleen gaat over gitaarspel of zang. Het is méér nog dan zijn vraag, ineens ook de mijne. Het is ‘vals’, in de figuurlijke betekenis van niet accorderen. Van het niet eens zijn met wat je zelf doet. Wat was er ook al weer vals? ‘Nou alles…’ Echt? Nee. Écht niet alles! Dat zou pas echt vals zijn. Iemand met zulke antennes vangt mijn twijfel ongetwijfeld op… En dus ga ik morgen weer naar hem, maar tegelijkertijd ook heel goed naar mezelf luisteren.… en -vals of niet- van beide tot op het bot genieten!