Recht boven de houten bank, onder aan een stevige tak van de 200-jarige eik, zie ik ze zitten. Een nest eikenprocessierupsen. Ik had al zo’n vermoeden dat ze er zouden zitten, omdat ik van een vorige schrijfsessie onder de eik, nietsvermoedend een jong eikenprocessierupsje mee naar huis had genomen.
Een paar dagen geleden stond er een artikel over in de krant. Niet zozeer wat er aan de overlast van de rupsen te doen was, maar vooral de constatering dat we er maar aan moesten wennen. Het stadium van oplossen waren we al gepasseerd, aldus de schrijvers van het artikel.
Sterker nog, we moesten ons maar alvast voorbereiden op dennenprocessierupsen, die vanuit de Ardennen, zich al aan de grens aan het verzamelen waren. Samen met de reuzenteek zouden ze bij aanhoudend warme zomers ons land net zo overspoelen, als dat de eikeprocessierups dat had gedaan.
Op dit moment zit ik in de schaduw van drie beuken en ga ik er voor het gemak en mijn gemoedsrust van uit dat beukenprocessierupsen nog niet bestaan. Het is wat. Ik vraag me af hoe het zo ver heeft kunnen komen met de eikenprocessierups. Of zou die 200 jaar geleden het eikje van toen ook al hebben lastig gevallen?
Zou best kunnen. Misschien hingen er toen ook trossen rupsen aan de bomen en wisten de mensen uit die tijd dat je daar gewoon van af moest blijven. Net zoals je van brandnetels af moest blijven, omdat die prikten. Tenzij je een lollige oom had die jou als jong ventje wijsmaakte dat sommige brandnetels niet prikten en dat illustreerde door van onder af in een stoere beweging de bladeren van de netel te stropen.
Toen wij gerustgesteld die brandnetels ook vastpakten, leerde je de pijnlijke les dat brandnetelbladeren alleen aan de onderkant niet prikken. Hij had het ons ook gewoon kunnen vertellen, maar zo schepte hij er blijkbaar meer genoegen in. Afijn, een ervaring uit mijn jeugd, die ik mijn leven lang bij me zal dragen. Er zijn altijd minimaal twee kanten aan een zaak, waarvan er één kan prikken…
Zojuist op mijn telefoon een kort filmpje bekeken over de dennenprocessierups. Die blijkt in de rupsfase dus echt in een processie, in een hele lange stoet, achter elkaar aan te kruipen, om zich vervolgens in te graven om onder de grond te verpoppen. Waarschijnlijk doet de eikenprocessierups ook zoiets. Toch eens opzoeken, wanneer ik weer onder de eik kan gaan zitten. Tot zo lang hou ik het even bij beuken.
…de vraag is: waar gaat die eerste naar toe…


Iemand heeft wortels gepoot, vlakbij het bankje onder de tweehonderd jaar oude eik. En het lijkt alsof er nog een ander gewas tussen de wortels is uitgezaaid. Mogelijk vanwege een goed doordachte en verantwoorde ecologische reden. Dat zou wel passen bij deze plek die traditie ademt en eeuwenoude ervaring uitstraalt.
Ik voel de neiging opkomen om één worteltje uit de grond te trekken. Nieuwsgierig naar hoe ver ze al zijn. Ik weet van vroeger dat je dat voorzichtig moet doen want anders heb je het groene loof in je handen en blijft de wortel eigenwijs in de grond achter. Ik doe het toch maar niet. Ik wil de jonge wortel en mijzelf niet teleur stellen.
‘Zoek de zon zij’. Vier woorden die de moeder van mijn vrouw in de vorige eeuw op een schaal geschreven heeft. Vlakbij schilderde haar vader een zon om die woorden kracht bij te zetten. Onder de zon schilderden haar beide ouders samen nog een landelijk tafereeltje. Toen ze daarmee klaar waren, tekenden ze op een tweede schaal
nog een andere situatie uit hun gezamenlijke herinnering. Beide schalen zijn daarna afgebakken door een keramiste, niet geheel toevallig ook de zus van mijn vrouw. De schalen waren namelijk bedoeld als huwelijkscadeau van hun ouders voor ons.
28 jaar geleden is dat nu. De schalen zijn er nog steeds. Dat de spreuk toen zoveel losmaakte, kwam ook omdat die jaren eerder al onderdeel uitmaakte van het poezieversje dat haar moeder in mijn vrouw’s eerste poeziealbum had geschreven. Dat was in haar vroege kindertijd. Het versje eindigde met de regel: ‘Kindlief, zoek de zonnezij’.
is het thema van deze herdenkingsdienst en in de voorbereiding van dit verhaal, dacht ik aan de schalen en aan de spreuk die ons als levenswijsheid cadeau was gedaan. De moeder van mijn vrouw heeft die zonnezij op haar eigen manier al opgezocht en gevonden. De tekening van haar leven was in 2011 helemaal voltooid. Vijf jaar later dan haar man, die in 2006 zijn reis naar de zon en de sterren al was begonnen. Mijn ouders hebben hen daar bij aankomst misschien wel welkom geheten, omdat zij al in 1979 en 1994 afscheid namen. En nog helemaal niet zo lang geleden, in 2016, vertrok mijn zus voor haar laatste reis, nadat ze kort daarvoor in Hospice Doevenbos te gast was.
Want na regen komt weer zonneschijn. Iedereen weet het, maar we staan er misschien niet altijd bij stil. Op de schaal is de zon tussen de wolken getekend. Soms drijven de wolken voor de zon. Toch ligt het er maar net aan vanuit welke kant je er naar kijkt. Vanaf beneden bedekken grijze wolken vaak de zon. Maar bezie je het van boven, dan staat de zon onmiskenbaar vooraan. De diepere zin van de spreuk ‘Zoek de zon zij’ ligt dan ook in de dubbele betekenis ervan. Ten eerste omdat die refereert aan een plek, waar de mensen waarvan we afscheid moesten nemen, misschien wel hun warme hemel hebben gevonden. En in praktische zin is het een houvast voor ons, om na alle verdrietige gebeurtenissen en donkere wolken, toch telkens weer op zoek te gaan naar de zonnezij van het leven.





