Jurgen

Er stond een Munckhof-touringcar te wachten bij de Mèrthal. Voor Pinkpopgangers las ik toen ik er aan voorbij liep. Daar zou Jurgen ongetwijfeld veel liever zijn ingestapt, was mijn eerste gedachte. Maar zo was het niet. Hij moest in de Mèrthal zijn. Voor het laatst. Zijn overlijdensbericht, een paar dagen eerder in het weekblad, sprong er uit door de blauwe lucht in de achtergrond.

Dat die lucht niet altijd blauw is, was vanochtend tijdens de openingswoorden van Lucie Geurts in de Mèrthal te horen. De wind van buiten wilde naar binnen leek het, op hetzelfde moment dat Jurgen naar binnen werd begeleid. Zijn vrouw, Jacqueline, en hun kinderen liepen naast de witte kist. Ze droegen Jurgen naar zijn plek op het podium. ‘Heaven rocks‘ las ik op de kist. Met drie kruisjes en de naam Jacq.

Diezelfde Jacq stond als eerste naast Jurgen op het podium. Haar woorden beschreven hun gezamenlijke levensverhaal. Hoe ze elkaar hadden ontmoet, hoe ze samen het leven hadden omarmd en hoe zeer ze dat ging missen. Dat ze daar stond ‘was niks voor haar’, zo was ze haar verhaal begonnen. Maar de kracht van elk woord en elke zin was nadrukkelijk aanwezig. De wind was het met haar eens.

Misschien was dat wel de ‘papa-lucht’, zoals zijn dochter Liv dat in haar persoonlijke boodschap aan haar vader beschreef. Een strakblauwe lucht was voor haar vader en haar meestal het teken geweest om van de zon te gaan genieten. En zo’n helderblauwe hemel hadden ze ‘papa-lucht’ gedoopt. Haar woorden en die van haar twee broers Max en Sid kregen spontaan applaus van de vele aanwezigen. In de stilte daarna hoorde je opnieuw de wind. Papa-lucht?

Mooi om in de herinneringen van Max en Sid zo duidelijk hun vader terug te horen. ‘Waat flikte geej meej nouw’ waren zijn eerste woorden geweest toen Max hem verteld had dat hij op jongens viel. Meteen gevolgd door: ‘Wette jông, geej môt doon wao geej gelukkig vaan werd’. En dan Sid, die in zijn jeugd blijkbaar vaker de confrontatie met zijn vader was aangegaan. Misschien wel juist omdat hij in zoveel opzichten op hem leek. Ze waren sterk, Max, Sid en Liv. Met Jacq. Bij Jurgen.

Het was te vroeg. En het was oneerlijk. Maar het was zoals het was. Zijn vriend Hans Lenssen las een persoonlijke brief voor waaruit hun diepe vriendschap bleek. Wat vaak niet of te weinig was uitgesproken, benoemde Hans nu met nadruk, met een voorbeeld uit het verleden, bij de Stones op Pinkpop. Ook muzikaal werd die vriendschap bekrachtigd. De band Karloff, waar Jurgen vroeger deel van uitmaakte, legde de wind in de Mèrthal even het zwijgen op.

Wiel, de oudste broer van Jurgen, kon zich nog de dag van diens geboorte herinneren. Ook uit zijn verhaal klonk de vanzelfsprekende liefde. Liefde die meestal niet in woorden werd uitgedrukt, maar er gewoon was, in het er voor elkaar zijn. In het samen delen van het leven. In liefde en in vriendschap. Ieder op z’n eigen manier. In wonen, werk en welzijn. De emotie in het verhaal van Albert Vermeulen, Jurgens werkgever en vriend, was tekenend. Vriendschap. Door weer en wind.

Woorden die niet gesproken werden, klonken door in de muziek. Karloff speelde als afscheid het favoriete nummer van Jurgen: ‘Heaven rocks’. Dezelfde woorden op de witte kist leken mee te bewegen op het ritmische meeklappen van nagenoeg alle aanwezigen. Daarna kon iedereen persoonlijk afscheid nemen om vervolgens aan het laatste verzoek van Jurgen gehoor te geven: ‘een flesje Grolsch heffen op het leven’.

En dat deden er veel. Het geluid van tegen elkaar klinkende groene flessen klonk bijna net zo ritmisch als het klappen van een paar minuten eerder. Je voelde en zag de ontroering. En die werd mogelijk nog groter toen de familie zelf ook aanschoof, mét de witte kist in hun midden. Jurgen was er bij. Zijn laatste feestje, dat hij graag had willen missen, maar waarbij hij van het begin tot het eind zo nadrukkelijk aanwezig was.

Buiten waaide het nog. De wind duwde wat grijze wolken opzij om het blauw te laten zien. In het gedachtenisprentje las ik de woorden van Sid: ‘Aas iets liefs oow verlut, blieft de liefde oaver. Op 4 juni ziede weggevloage…’. Gedragen door de wind, op weg naar de zon. Lekker liggend in de lucht. ‘Papa-lucht’… Blauw met hier en daar een witte wolk.

Ook op Pinkpop, zag ik ‘s middags in een filmpje. Er is niet altijd een Munckhof-bus nodig om ergens te komen… Jurgen was erbij. Daar en hier. En dat zal zo blijven. Proost!

 

Voor Jacqueline, Max en Freek, Sid en Anne-Fleur, Liv

Jurgen Spreeuwenberg

Nel

Altijd als ik haar tegenkwam, was er die vriendelijke glimlach. Een glimlach die helemaal van binnen kwam. Een glimlach, die misschien wel juist om die reden, ook daadwerkelijk bij je binnenkwam. En nu, op haar gedachtenisprentje, lacht ze iedereen weer toe. ‘Wish you were here’ van Pink Floyd was het openingslied bij de afscheidsdienst van Nel. Een gezongen wens die in zekere zin ook werkelijkheid was. Want in gedachten was ze er bij. Bij Joop, bij Bernie en Joep, bij Kees en bij heel veel anderen. Heel veel..

Mooie woorden werden er gesproken. Door Ron, die de dienst leidde. Hij vertelde over het gesprek met Joop. ‘Goh, Joop, bij Nel was het glas dus nooit halfleeg, maar altijd halfvol?’ En dat Joop’s stellige antwoord daarop was geweest, dat het glas van Nel altijd juist boordevol was gebleven. Ondanks haar ziekte, was zij in staat geweest om altijd vol van het leven te genieten. Haar positiviteit won het heel lang van de realiteit. Haar glimlach bleef haar kracht. Tot op het eind.

Het was een kracht, die haar dochter Bernie letterlijk in haar toespraak benoemde. Een kracht, die Nel ook had doorgegeven aan haar, vertelde ze. Het was de kracht van de liefde, die verbindend werkt. Hoe verbindend, werd duidelijk toen Bernie alle aanwezigen vroeg om te gaan staan. Daarna vroeg ze met een met tranen gevulde, maar zeer vastberaden stem of iedereen elkaar eens goed wilde vasthouden. Wilde omarmen. Iedereen ervoer de kracht die Bernie bedoelde. De kracht, die Nel haar had doorgegeven. De kracht van het er voor elkaar zijn.

Ik weet niet of buiten de aula alle aanwezigen ook gehoor gaven aan het verzoek van Bernie. Wel weet ik bijna zeker dat ze het minutenlange applaus gehoord hebben, dat er daarna vanuit de aula klonk. En waarschijnlijk hebben ze op de schermen ook gezien hoe Joop zijn dochter na haar prachtige toespraak innig omarmde. Ik kon door mijn eigen tranen van ontroering niet zien of Joep en Kees haar ook omarmden, maar ik vermoed van wel. Nel verbond hen en ze verbond ons.

Nog meer mooie muziek, foto’s en herinneringen werden gedeeld. Op het einde van de dienst bleek pas echt hoeveel mensen naar de afscheidsdienst waren gekomen. De stoet mensen die toen pas de aula binnenkwam om Nel de laatste eer te bewijzen, leek eindeloos. Jong en oud schuifelden aan Nel voorbij. Ieder met een eigen verbondenheid met haar of met Joop, Bernie, Joep of Kees. En daardoor ook in verbinding met elkaar. Juist op dat moment van afscheid, toch weer samen op weg naar de toekomst. Bewuster van de kracht van het leven, ook na de dood.

‘How i wish you were here’. Ik herinnerde me de hoes van de lp en zag in gedachten de doorzichtige oranje sjaal die door de wind, tussen bomen door, over een grasveld werd geblazen. Het schemerde al, toen ik naar buiten liep. Tussen de bomen van Boschhuizen door, liep ik over de kasseienpaadjes, naar waar mijn auto geparkeerd stond. Tussen de stenen groeide hier en daar het gras. Met de klanken van ‘Wish you were here’ nog in mijn hoofd, wist ik ineens van wie die doorzichtige oranje sjaal wel eens zou kunnen zijn. Van Nel en daarom sinds vandaag van iedereen. Op het kaartje zag ik Nel’s glimlach…

Nel
Voor Joop, Bernie en Joep, Kees
en voor iedereen die de glimlach van Nel van binnen voelt

Clara

De uitvaartdienst was plechtig. Latijnse gezangen vulden de Lambertuskerk. Helder wit zonlicht werd kleurrijk gebroken door het gebrandschilderde glas. Het gaf de vele bloemen bij haar kist nog meer kleur. ‘Clara hield van bloemen’ was de laatste zin in de rouwadvertentie en dat hadden veel mensen zich ter harte genomen. De zon speelde met de kleuren. Rood werd nog wat warmer en het groen nog wat feller.

Herinneringen werden voorgelezen. Paul, haar zoon, en Tim, haar man, vertelden over Claar. Over hoe sterk ze was ondanks haar twijfel en over hoe ze elkaar tot steun waren. Over het afscheid, dat wat haar betrof eigenlijk geen afscheid had moeten zijn. Ze was er nog niet klaar voor. Had nog zoveel plannen. Ook dat kwam naar voren, uit de woorden die werden gesproken. Het waren namelijk veelal de woorden van Claar zelf. Het was alsof ze ons allemaal nog een laatste keer van hele goede adviezen wilde voorzien.

clara prentje
De foto op het gedachtenisprentje van Claar van Lieshout

‘Weet je wat het is:’… Daar begon haar gedachtenisprentje mee. Ik herkende de zin en het korte verhaal dat volgde, omdat haar man Tim die woorden bij aanvang van de dienst met ons gedeeld had. Hij had Claar zo al laten spreken. Toen ik haar woorden terug las, hoorde ik haar als het ware zelf vertellen. Wijs. Belezen. Ze vertelde over haar herinneringen, haar twee kinderen, ja, eigenlijk over haar leven in al zijn facetten. Beschouwend, kernachtig maar vooral ook verdrietig omdat de rauwe werkelijkheid op het laatst de kleuren zo grauw gemaakt had.

En toch. Ondanks de pijn en het verdriet lees ik ook haar zin: ‘Ik kan er met vreugde op terugkijken’. Ik hoor haar dochter Evelyn in het slotwoord zeggen, dat ze tot op het laatst de hand van Claar heeft vastgehouden. Ze voelde dezelfde onzekerheid die ook Claar had gevoeld over wat het betekent om los te moeten laten. En toch, vertelde Evelyn, heeft ze haar moeder toegefluisterd dát ze los mocht laten. Puur en alleen omdat ze los móest laten. Maar wetende dat wat er geschreven is en wat er herinnerd wordt op den duur weer alles zal verbinden.

Ik ben de kerk uitgelopen aan de kant van de Bruna. Dat tweede huis van Claar, waar ze haar ziel en zaligheid in had gestopt. Waar Vera werkte, die gedurende het ziekteproces van Claar, zo vaak lief en leed met Claar had gedeeld. Het personeel van die boekhandel is met Claar en haar familie in de rouwstoet mee gewandeld naar het kerkhof, samen met vrienden en bekenden. Onder een helderblauwe lucht en stralende zon.

Bruna, bij de Lambertuskerk
…de kerk uitgewandeld, langs de Bruna

‘Weet je wat het is: ‘… Dat schreef Claar op 11 december 2018. Vanochtend maakte zij me deelgenoot van haar verhaal, via Tim, Paul en Evelyn. Een verhaal dat op deze dag lijkt te worden afgesloten, maar dat in zekere zin juist nu een vervolg krijgt. Een stukje van dat nieuwe hoofdstuk proef ik in het kopje thee op het terras. Ik zie het verhaal in de mensen die voorbij wandelen. Ik voel het in de warmte van de zon. En ik voel en hoor het als Pip me een arm geeft en we samen pratend weer langs de Bruna lopen. Alles is even één. Omdat het vanochtend door Clara zo helder is verteld. Via Tim, Paul en Evelyn.

Dus voor hen. En voor allen die Claar hebben gekend. Met dank.

boekpresentatie Bruna
Mede dankzij Claar mochten Egbert Derix en ik een paar jaar geleden onze boeken presenteren bij Bruna Horst. Een mooie, muzikale en literaire happening.

Gate B53…

Al een paar dagen sluimerde het. Maar pas bij gate B53 op het vliegveld in Düsseldorf manifesteerde het zich echt. Het gevoel overviel me. Mijn omhelzing van hem ter afscheid was de opmaat. De opwellende tranen bij hem en zijn moeder deden de rest. Wat goed was, voelde toch even intens verdrietig. Een half jaar lang zou hij duizenden kilometers ver weg zijn. Het gevoel van gemis, ondanks de tijdelijkheid van het afscheid, woog veel zwaarder dan van te voren gedacht.

De op handen zijnde uitwisseling vanuit zijn studie biologie naar Noorwegen, met ‘uitstapjes’ naar Groenland en naar de Lofoten eilanden, hadden zijn avonturiersdrift al heel vroeg aangewakkerd. En wij juichten dat toe, al die tijd dat hij karaktervol nonchalant zich daarop voorbereidde. In de laatste dagen voor het vertrek had hij nog een hele agenda af te werken van feestjes, filmbezoek met vrienden en andere fijne bezigheden. Maar het moment kwam wel steeds dichterbij.

En daar, die ochtend bij gate B53, was het afscheid er in volle hevigheid. Op het ene moment stond hij nog in de wereld die van ons samen was, en op het andere moment opende zijn ticket eenmalig het hekje en stond hij aan de andere kant, in zijn nieuwe wereld. Daar waar wij op datzelfde moment niet meer konden komen. Zwaaien kon nog wel -en dat deden we dan ook- maar dat verzachtte de pijn van het afscheid niet. Het voelde alsof je een deel van je eigen leven uit zwaaide. Dat gevoel, verstandelijk gemixt met de blijdschap voor het avontuur dat hij aan wilde gaan.

In de auto op de terugweg spraken we erover. Het dubbele gevoel bij dat afscheid. Het had nog iets onwerkelijks. Iets waarvan je wist dat het waar was, maar wat je nog even niet kon geloven. Een soort van ontkenning, als in de eerste fase van een rouwproces. We relativeerden dat ook weer meteen, maar dat we allebei een beetje van ons stuk waren, konden we niet ontkennen. Een half jaar, dat was toch best wel lang. Ook al zouden we elkaar diezelfde avond, als hij in Noorwegen zijn wifi op gang had gekregen, alweer spreken of zelfs digitaal terugzien.

En zo liep het ook. Een paar uur later dan verwacht, omdat sneeuwkettingen voor kofferwieltjes bij mijn weten nog niet zijn uitgevonden, maar zeker ook omdat ‘huisnummer 11’ ook in Noorwegen niet gelijkstaat aan ‘kamer nr. 11 van huisnummer 33’. En voordat je daar achter bent, heb je toch een aantal keren de juiste straat moeten doorkruisen. Maar uiteindelijk deelde hij op 2959 km afstand zijn eerste ervaringen met ons. En met zijn zus, die de Whatsapp videogroeps-chat had geopend.

De volgende dag moest ik terugdenken aan die momenten bij de gate. Wat was het precies dat gezorgd had voor dat trieste gevoel dat ik ervaren had. Het vertrek uiteraard was de begrijpelijke aanleiding, maar er was meer. Het zat dieper. Of tenminste, ik meende dat het dieper zat en ik voelde een behoefte om dat voor mezelf te duiden. Omdat we het in de auto al over een ‘rouw-gevoel’ hadden, kwam door-associërend vrij snel de zin ‘Partir, c’est mourir un peu’ bovendrijven.

Internet is niet alleen handig voor een digitale groeps-chat. Ook franse dichters worden er snel mee gevonden. ‘Partir c’est mourir un peu’ blijkt de eerste zin van een prachtig gedicht van Edmont Haraucourt, die leefde van 1857 tot 1941. De eerste strofe gaat als volgt: Partir c’est mourir un peu, / C’est mourir à ce que l’on aime: / On laisse un peu de soi-même / En toute heure et dans tout lieu. Vrij vertaald staat dat voor: Vertrekken is een beetje sterven, / het is sterven aan wat men liefheeft / Men verliest een beetje van zichzelf / in ieder uur en op elke plek.

Een afscheid voor een half jaar is geen definitief afscheid. Gelukkig. Maar tijd is een heel relatief begrip. Laat de tijdelijkheid even achterwege en je houdt enkel afscheid over. Het afscheid aan gate B53 zou je zo ‘een beetje vertrekken’ kunnen noemen. ‘Partir un peu’. Zou het zo kunnen zijn, vraag ik me af, dat de tranen die dat al opriep mogelijk de ‘oefen-emoties’ zijn voor dat ene moment van afscheid straks? Dat ene moment -hopelijk pas over heel veel jaren- dat onherroepelijk een keer gaat komen? Dat moment waar we zo moeilijk over spreken en waar we liever niet aan denken, omdat het gaat over ‘doodgaan aan wat je liefhebt’. Afscheid van het leven.

Tranen dus. Maar zeker ook blijdschap, hoe vreemd dat misschien ook klinkt. Want als je vertrekt, dan ‘verlies je een beetje van jezelf’. Of, als ik een andere vertaling citeer: ‘We laten een beetje van onszelf achter’. Dat is voor hen die blijven. Je laat iets van jezelf achter, als je vertrekt, op welk uur en vanaf welke plek dan ook. Het gemis wordt daardoor verzacht. Voor een deel door de tijd maar voorál door wat je achterlaat. De tranen van verdriet, bij welk afscheid dan ook, zijn tegelijk tranen van geluk en dankbaarheid voor wat er is achtergelaten.

Je moet er soms wel even naar zoeken, naar wat er is achtergelaten. Maar het is er. Op elk tijdstip en overal. Op dit moment in Noorwegen en bovendien een paar straten verderop in mijn eigen dorp. En over een half jaar weer even allemaal hier bijeen. Maar voor véél later? Ach, wie weet, straks blijkt God ook gewoon Whatsapp te hebben…

Op 2 februari 2019 heb ik deze column live voorgedragen in het radioprogramma ‘Wiekentpraot’, voorafgegaan door de prachtige vertolking van Margriet Sjoerdsma en Egbert Derix van ‘First we take Manhattan’ en afgesloten met ‘We’ van Neil Diamond. Toepasselijk in velerlei opzicht.

Mart

Van een afstand zag ik hem al zitten. Op het stenen trapje voor zijn café. Het was zondagavond, zo omstreeks acht uur. Ik weet niet of hij zijn café al open had. Normaalgesproken wel, op zondagavond. Dan stond hij met Marij achter de bar. Normaalgesproken. Maar alles was niet meer normaal. Alles was anders geworden. Zijn dochter was onlangs op haar vakantieadres overleden.

Ik zag dat hij in gedachten verzonken was. Hij keek in het niets en tegelijk in de richting van waar ik vandaan kwam fietsen. Ik denk dat hij vanaf zijn plek de toren van de Lambertuskerk kon zien. Pas in het voorbijgaan merkte hij me op en reageerde op mijn ingetogen opgestoken hand en mijn ‘hallo’. ‘Ha’.. Een korte reactie en een knikje kwam er terug van zijn kant en toen waren we elkaar ook al weer voorbij.

Fietsend probeerde ik me een voorstelling te maken van de pijn en het verdriet dat hem was overkomen. Opgeteld bij het verdriet van de man van zijn dochter. Misschien dacht hij op dat trapje wel aan zijn kleinkind, dat vanaf dat verschrikkelijke moment zonder moeder verder moest, maar daar waarschijnlijk op die jonge leeftijd nog geen enkel besef van had.

Het lukte niet. Het beeld van Mart, die buiten op het trapje voor zich uit staarde, terwijl binnen in zijn café het leven straks weer gewoon door ging. Het was een contrast dat me weliswaar diep raakte, maar van de pijn die er achter schuilging, daar kon ik me geen voorstelling van maken. Dat kon waarschijnlijk alleen hij op dat moment.

Misschien wel door het leven in zijn café even achter zich te laten.  Te gaan zitten op het trapje voor de ingang. Omhoog te kijken, nog óver de kerktoren heen. Lang genoeg om daarna weer naar binnen te gaan. Om het leven te leven. Voor zijn dochter. Zijn kleindochter. En voor zijn vaste klanten, die begrepen waarom hij even buiten zat, maar daar die avond mogelijk geen woorden voor hadden.

Deze woorden zijn voor hem. En voor hen die ze herkennen.

 

Weemoed…

Een uitverkocht Cambrinus. Vanuit ’n plek in de verre hoek heb ik nog net uitzicht op de pianokruk en op pakweg twee octaven pianotoetsen in het midden van het klavier. Ik schat in dat ik zo Egbert prima kan zien spelen zometeen. Egbert Derix geeft een soloconcert. Het op één na laatste concert dat er in muziekcafé Cambrinus gegeven gaat worden. In het laatste seizoen. Ik heb het Jan bij een aantal vorige concerten al vaker horen vertellen. En ook nu weer is zijn introductie er een, waar weemoed doorheen klinkt.

Als je een café gaat beginnen, vertelt hij, krijg je tientallen adviezen hoe dat moet. “De helft van die adviezen hebben we op onze manier opgevolgd en de andere helft soms misschien wat eigenwijs naast ons neergelegd”. In een sfeervol mengsel van trots en melancholie gaat Jan nog even door. Het traditionele viltje, waar hij op het laatste moment nog altijd wat opschrijft, voordat hij een artiest aankondigt, trilt een beetje tussen zijn vingers. Als je met een café gaat stoppen, vertelt hij, blijken de adviezen daarover achterwege te blijven. Dat is iets dat je na 25 jaar helemaal zelf moet doen. En dat valt niet mee. Zeker niet wanneer het aftellen op een punt is beland, dat je bij de één na laatste bent…

Egbert zit al die tijd aan de vleugel. Tot zijn verrassing krijgt hij van Jan een antiek bierreclamebord, met de opdruk JAZZ, waaraan het woord ‘stout’ is toegevoegd. Uit 1929, als ik het goed onthouden heb. Die twee woorden, toen bedoeld om de biersmaak te omschrijven, staan nu, volgens Jan synoniem voor de muziek en een deel van Egbert’s karakter. Bovendien blijkt er voor het concert van Egbert geen poster te zijn gemaakt, zoals dat in de historie van het muziekcafé meestal wel het geval is. Geen halszaak, want het concert was in no-time uitverkocht.

Maar toch, een tweede cadeau volgt. Alsnog een poster met de aankondiging van het concert van Egbert. Passend in het betoog van Jan, die uitgebreid uit de doeken doet -je bent muziek-missionaris of je bent het niet- dat vanmiddag een dame uit Canada (who cares…) op de bühne had kunnen staan, maar dat tot Jan’s vreugde haar noodgedwongen afzegging eigenlijk maar één logische vervanger kende: Egbert Derix. En die zat klaar. Wachtend tot hij ‘stout’ zijn ‘jazz’ ten gehore mocht brengen.

Vanaf de eerste toetsaanslagen voelde ik de weemoed in de lucht. Bij elk nummer heb ik me afgevraagd, muziekleek als ik ben, wat de klanken nu precies bij me teweeg brachten. Eigen herinneringen uit vervlogen tijden. Dan, rondkijkend, de constatering van een uitverkochte zaal, die voor de één na laatste keer allemaal dezelfde kant op keken. En dezelfde kant op luisterden, als je dat zo kunt zeggen. Jarenlang heb ik de spreuk op het bord zien staan, dat je een muzikant nooit je rug moet toekeren omdat je oren dan verkeerd zitten. Vanmiddag heb ik de spreuk niet gelezen, maar zag en voelde ik het live.

We luisterden naar de voorbodes van de herinnering. Bij sommige passages maakte een milde droefheid zich van mij meester. De muziek liet mijmeren. De uitleg van Egbert bij de gespeelde nummers wakkerden de melancholie soms nog verder aan. Bijvoorbeeld door een muziektekst over nevel in januari. Dat riep herinneringen op aan zijn vader Jan, die een aantal jaren geleden overleden was in die maand. De herkenning, ongetwijfeld, bij zijn moeder en zijn broer.  Weemoed. Gedragen door gevleugelde klanken. Muziekvrienden genoten en één stel werd zelfs beloond voor hun in Cambrinus opgedane levenslange liefde.

Niet vreemd dat op het eind van het concert het applaus voor Egbert -die op indrukwekkende wijze zijn 61e (!) concert van de afgelopen 25 jaar in Cambrinus had afgerond- naadloos overging in een staande ovatie voor Jan en Henny. De weemoed die voor mijn gevoel al de hele middag in de lucht hing, vond zijn weg in de tranen van Henny. Jan stond op dat moment iets verder van me weg, maar ik weet bijna zeker dat de melancholie van de muziek ook hem tot op het bot geraakt heeft.

Weemoed dus. Een woord dat uit twee delen bestaat. ‘Wee’ als in pijn voelen bij een afscheid. Maar ook ‘moed’ als een drijvende kracht om door te gaan. Een ‘trip down memory lane’ hoorde ik iemand uit het publiek na afloop van het concert als verklaring geven voor zijn gevoelde emotie. Dat herkende ik. Maar het bevestigde mij ook in het besef dat herinneringen alleen maar dán ontstaan als er in het nu geleefd wordt. ‘C’est la vie’ rijmt best mooi op ‘melancholie’.

Misschien dat ik daar een andere keer iets over op papier zet. Maar nu alvast even dit. Met dank aan de muze, aan Egbert en aan Jan en Henny, waarmee ik zometeen voor één van de laatste keren in café Cambrinus een biertje ga drinken. Het mooie is, realiseer ik me tot slot, dat op al die andere plekken waar ik Jan en Henny straks nog ga tegenkomen, overal toch een beetje Cambrinus zal zijn. Dat geeft de burger moed. Weemoed voor even. Maar vooral moed voor het leven.

101 jaar…

Op een vrijdagavond werd ik gebeld. ‘Op verzoek van de dochter van de overleden mevrouw Nelly Mooren-Benders’, zei de uitvaartbegeleidster die ik aan de telefoon had. Nelly Mooren-Benders was een dag daarvoor overleden. Op 101-jarige leeftijd! Na die introductie vroeg ze of ik tijdens de afscheidsdienst van Nelly een verhaal en een gedicht wilde voorlezen. Als ik dat wilde doen, dan moest ik maar een appje sturen. De uitvaartbegeleidster zou me dan het telefoonnummer van de dochter terug-appen zodat ik met de dochter verder zou kunnen overleggen. Een beetje beduusd was ik van het verzoek. Beduusd, maar tegelijk vereerd en eigenlijk vooral nieuwsgierig.

101 jaar. Mijn hemel. Ik besloot meteen te googelen op de naam van Nelly en haar leeftijd. Vrij snel kwam ik een bericht tegen van een honderdjarige mevrouw Mooren die vorig jaar aan het dorp Grubbenvorst een zeldzame driekleurige beuk had geschonken. Even verder zoekend kwam ik uit bij het filmpje dat Reindonk er van had gemaakt. Mooie beelden waar Nelly, heerlijk ingepakt in dekens en met een constante serene glimlach op haar gezicht, getuige was van het officiële moment dat de boom aan de gemeenschap van Grubbenvorst werd overgedragen. Nelly markeerde dat moment en de burgemeester hielp haar daarbij.

Dezelfde burgemeester had de eeuweling eerder al gefeliciteerd. Ook daar kwam ik foto’s van tegen op internet. Weer met een vriendelijk glimlachende Nelly. Opmerkelijk vond ik een ander bericht dat er jaren eerder postzegels aan Nelly waren overhandigd. In voormalig kamp Amersfoort werden op die manier jaarlijks mensen geëerd, die in de oorlog voor de gevangenen van grote betekenis waren geweest. Nelly onderging die huldiging met een voorzichtige glimlach, zag ik op de foto. In het artikel las ik tussen de regels over haar onverzettelijkheid maar tegelijk ook over haar bescheidenheid. Eerbetoon voor haar verzetsdaden wuifde ze meestal weg, met de reden dat anderen die loftuitingen nog meer verdienden.

Diezelfde avond al besloot ik aan het telefonische verzoek tegemoet te komen. Alleen al het lezen over deze bescheiden vrouw en het zien van haar foto’s werkte inspirerend. Ik kon het niet verklaren en ik wist ook nog niet goed wat haar dochter zich voorstelde van mijn bijdrage. Maar toen ik een dag later haar telefoonnummer kreeg en met haar over haar moeder sprak was er voor mij geen enkele twijfel meer. Een verhaal en een bijbehorend gedicht van mijn hand had de dochter aangezet om mij te vragen. Het was nagenoeg van A tot Z van toepassing op Nelly, vertelde ze me. En terloops vroeg ze of ik daarnaast ook een tweede moment in de dienst wilde invullen. Hoe, mocht ik zelf weten.

Ik heb over die tweede bijdrage een paar dagen nagedacht en in de tussentijd over en weer verschillende mails gedeeld met de dochter. Ze stuurde me de grafrede toe die ze voor haar moeder had geschreven. Zo indrukwekkend om die te lezen en te zien hoeveel liefde erin beschreven was. Tegelijk ook ervaren hoevéél mensen voor elkaar kunnen betekenen. Een universeel gevoel bijna. Haar broer zou het In Memoriam schrijven, vertelde de dochter. Dat zou ik ook toegestuurd krijgen, zodat ik uit zijn herinneringen eveneens zou kunnen putten voor mijn tweede bijdrage. Het voelde bijna natuurlijk om dit alles te delen met elkaar. Ik heb dat gevoel omgezet in een tweede gedicht en dat heb ik hen diezelfde avond gemaild.

dienst
Bij het binnenkomen van de kapel

Op twee momenten in de afscheidsdienst heb ik vandaag mijn woorden mogen delen met allen die haar nabij waren. Bij het afscheid van een vrouw die méér dan een eeuw haar stempel had gedrukt op de levens van heel veel anderen. Ik ‘kende’ haar nog maar een week en toch voelde het alsof ze met haar bescheidenheid en kracht ook mij had geraakt. Het was heel speciaal om even een onderdeel te mogen zijn van datgene dat zij in méér dan een eeuw had bewerkstelligd. Ze deed dat, omdat ze niet anders kon. En ze kon het, omdat ze niet anders deed dan dat ze was. Glimlachend. Met de wijsheid van een eeuw. Dat, en nog een beetje meer…

Voor Elke en Geert, familie en bekenden.

Een eeuw was jij op aarde
En nog een beetje meer
Dat heeft zo’n grote waarde
En nog een beetje meer
Je gaf de mensen hoop en
nog een beetje meer
Je leerde kinderen lopen
en nog een beetje meer…

Het lot dat jij aanvaardde
en dat ook telkens weer
Respect dat jij vergaarde
en nog een beetje meer
Je liep er nooit zo mee te koop en
toch aan jou de eer
Je hart stond steeds wijd open
en nog een beetje meer…

Jouw boom heeft nu drie kleuren
en nog een beetje meer
Niets kan jou nog gebeuren
Je bent in hoger sfeer
Jouw beuk die zal ons wenken
Elk jaar weer  keer op keer
We blijven aan je denken
en nog een beetje meer…

Getekend…

Twee tattoo’s gekocht, net na de middag op de kindermarkt. 25 eurocent per stuk. Ze werden vakkundig met een nat washandje aangebracht. De inzet en zorgvuldigheid waarmee dat gebeurde was bewonderenswaardig en vertederend. Een creatief idee van een viertal kids. Actief de boer op en de bezoekers aan de kindermarkt -toch weer duizenden in getal- iets aanbieden waardoor ze verrast, vertederd en vervolgens overtuigd werden om tot koop over te gaan.

Menigeen is zo vanmiddag ‘getekend’ voor het leven. In ieder geval toch voor de duur van deze zondag. Een zondag waarop ik me ook had voorgenomen om te schrijven. Over de afgelopen dagen en misschien wel over afgelopen woensdag. Zodoende ben ik later in de middag met iPad en zitkussen achter op de fiets vertrokken, naar een inspirerende plek in Horst. Eerste gedachte was om bij Trudy te gaan zitten, maar die plek was bezet door twee mensen. Toen ik daarna langs het water van de Kasteelse bossen fietste, wist ik het zeker dat ik over woensdag wilde schrijven. Over het afscheid van Maartje…

Het was druk op het strand. Er lagen mensen te zonnen. Maar het was lang niet zo druk als woensdagmiddag, toen de herdenkingsdienst van Maartje Truijen er werd gehouden. Ik kon daar zelf niet lijfelijk bij zijn maar een aantal indrukwekkende momenten heb ik op foto’s mogen zien. Uit betrouwbare bron heb ik vernomen dat er zo’n 750 personen aanwezig waren. Maartjes kist stond op de grens van water en zand.

Tijdens de dienst zwommen er zo nu en dan nietsvermoedend kinderen voorbij, vertelde mijn betrouwbare bron me. Spelend en plezier makend. Onverwacht toch helemaal passend bij de gelegenheid. En zeker passend bij Maartje, als ik de honderden en honderden reacties en condoleances op social media goed heb geinterpreteerd. Reacties, onder andere van haar collega’s van Spring Kinderopvang, waar ze werkte. Maar ook van heel veel ouders die al jarenlang hun eigen kinderen aan Maartjes goede zorgen toevertrouwden.

Als jonge mensen plotseling afscheid moeten nemen van het leven, dan ijlt het ongeloof nog heel lang na. Ongeloof over wat op een zwarte dag in één keer pijnlijk waar is geworden. Op het ene moment nog een gewaardeerde en waardevolle plek in dit leven, en dan -abrupt en zonder overgang- op het andere moment ‘elders’. Met niets daartussen, lijkt het. Net als zand en water op het strand. Voortdurend meebewegend met elkaar. Het zand laat het water niet los en omgekeerd.

Op de grens tussen zand en water. Het was de plek waar Maartje afscheid nam. Van iedereen daar op het strand. En zonder dat ze het zich bewust waren, ook van de spelende kinderen achter haar in het water. Van de mensen die links van haar op het strand van de zon genoten. Of tekeningen maakten in het zand. Net als vandaag. Ze nam afscheid door voortaan juist daar te zijn waar iedereen is. Zelfs bij hen die het niet weten. En zeker bij hen die haar nooit zullen vergeten. Elke dag opnieuw. Neemt ze afscheid en begroet ze. Tussen zand en water. Beweegt ze mee en laat ze niemand los. Verdrietig getekend voor het leven maar ook… verrast, vertederd en in eerbied daarvan overtuigd…

Voor Erwin, Job, Elle en Anne
en voor iedereen om Maartje heen

Tegenwind…

Vanochtend is Leon gecremeerd en vanmiddag ga ik naar de crematie van Tiny. Twee mensen die elkaar waarschijnlijk helemaal niet kenden, maar de cirkels van mensen om hen heen raken elkaar al snel. Op het snijpunt van twee van die cirkels bevind ik me. Bij de crematie van Leon was ik in gedachten aanwezig, vanmorgen tijdens het hardlopen. Ik moest er aan denken toen ik letterlijk de wind van voren voelde terwijl de zon op mijn rug scheen. Leon en Tiny. Een gedachte aan hen beiden die ik graag wil delen.

Leon ken ik van onze vriendenvolleybalclub waar hij jaren geleden ook lid van was. Tiny is de moeder van een collega van me. Tiny’s ziekteproces was er een van ups en downs. Leon is op zijn vakantieadres in elkaar gezakt en overleden. Hij dus heel plotseling, zonder enige aanleiding vooraf. En zij met een soort van gracieuze geleidelijkheid. Ik herinner me dat ik Tiny en haar man Mart vorig jaar nog heb mogen toezingen, op hun vijftig jarig huwelijksfeest. Dat was op 25 mei 2016. Toen 50 jaar getrouwd. Nu, zo’n anderhalf jaar later, al bijna 52 jaar.

In de Hallo staan de rouwadvertenties van Tiny en Leon naast elkaar. Ik zie dat Leon 52 is geworden. Het aantal jaren dat Mart en Tiny’s huwelijk bijna heeft geduurd. Wat een droevige dag moet het voor beide families zijn vandaag. Voor de ene familie een afsluiting van een ziekteproces, waarbij ze allemaal heel intensief betrokken waren. En voor de andere familie een begin van een periode waarop waarschijnlijk nog niemand zich ook maar enigszins op heeft kunnen voorbereiden. Onwaarschijnlijk. Onvermijdelijk.

Vanmiddag tonen we onze betrokkenheid bij het verdriet. Met mijn collega’s bezoek ik de crematie van Tiny. Meer mensen zullen daar zijn, want Tiny was een mensen-mens. De cirkels van alle mensen om haar heen zullen elkaar ongetwijfeld op meerdere punten raken. We zullen elkaar zien en in stilte de wederzijdse verbondenheid voelen. En ook vanmiddag zal de wind waaien. De zon zal schijnen, al dan niet achter de wolken.

Voor iedereen, maar vandaag speciaal voor Mart, Suzie en Veronique. En voor Monique, Rick en Melissa. Voor de familie, alle vrienden en bekenden. Voor iedereen. Even de wind van voor en de zon op de rug. Maar straks, als de wereld verder gaat en jullie de wind weer mee hebben, dan zul je zien, zal ook de zon haar warmte weer op ieders gezicht laten landen. En wie weet, hebben Tiny en Leon daar voortaan allebei wel hun aandeel in. 

Een witte kist, een zwarte vleugel

Het was er druk. Zo druk dat we met een grote groep mensen buiten hebben gewacht, omdat de wachtruimte binnen al helemaal vol was. Om me heen hadden mensen losse, witte bloemen bij zich. René werkte in de bloemen, realiseerde ik me. En ik had donderdag de rouwadvertenties gezien. Veel vrienden en kennissen hadden via de Hallo hun eerste verdriet al verwoord. Bij het crematorium vonden de mensen met de bloemen elkaar. Het waren er veel.

Het was zó druk dat we niet in de aula zelf, maar in de wachtruimte de dienst konden volgen. Vanaf de allereerste woorden werd het indrukwekkend stil in de wachtruimte. Op het scherm verscheen het beeld van een witte kist. Veel bloemen er omheen. Zo nu en dan veranderde de camerhoek en zagen we Marion en de kinderen, Don, Chiel en Lucree. Bij een afscheidsdienst raakt me dat altijd het meest. Het verdriet van hen die er het dichtst bij staan.

Ik was er met mijn zoon, Mees. Hij en Chiel hadden een paar jaar eerder samen de reis naar India mogen meemaken. Afgevaardigd namens het Dendroncollege en de stichting Helpende Handen. Net als Milou. En dus was zij ook aanwezig bij de afscheidsdienst, samen met haar moeder. Mees en Milou hadden er over en weer contact over gehad en zo stonden we nu samen te wachten om René de laatste eer te kunnen bewijzen. Net als indrukwekkend veel anderen…

‘Maak dich neet druk euver dinge die se toch neet kens veranderen’. Met die instelling had René iedereen bijgestaan. Vanaf de eerste dag dat hij -twee jaar geleden- te horen had gekregen dat hij een ongeneeslijke vorm van kanker had, was hij de steun voor zijn gezin, zijn uitgebreide familie en z’n nog uitgebreidere vriendenkring. Uit de verhalen die door hen werden voorgelezen, bleek dat juist die kracht van René indruk had gemaakt op iedereen. Tot op het laatst de regie in eigen hand gehouden. 

Op de terugweg naar huis hebben Mees en ik nog wat nagepraat over de indrukken van die afgelopen anderhalf uur. De tijd was bijna ongemerkt voorbij gegaan, door de woorden en de muziek. En een belangrijk deel van de tijd ging op aan het persoonlijke afscheid van iedereen die -wandelend langs de witte kist- een laatste groet bracht aan René. Links en rechts van hem stapelden de witte bloemen zich op. 

Het waren deze beelden die diezelfde avond nog een keer met kracht terug kwamen in mijn herinnering. Ik mocht aanwezig zijn bij de cd-presentatie van ‘Wandern’, een muzikaal project van pianist Egbert Derix en bariton Sef Thissen. De gedichten van zijn in 2009 overleden vader Jan Derix had Egbert in het Duits vertaald en op muziek gezet. Sef Thissen vertolkte de teksten en gaf daarmee woorden aan de ‘wandeling’ van Egbert. Een wandeling die hem ‘dichter bij z’n vader’ bracht.

Toen de spotlights aan gingen, vlak voor het eerste lied, stond de zwarte vleugel in één keer glimmend in het volle licht. Bijna meteen viel mijn blik op de grote witte letters, die op de vleugel pontificaal een naam vormden: REIJNEN. Het was net alsof de spots vooral de R,E,N en E deden oplichten. Ik zag de zwarte vleugel en dacht aan de witte kist van die middag. Ik dacht aan de gevleugelde reis van René, en tegelijk aan de reis van hen die achterbleven. Die door moesten op hun eigen weg. In hun eigen tijd. Dat ‘Wandern’ begon met het lied ‘Die Zeit, der Weg’ leek geen toeval meer. Iemand leek de regie in handen te hebben genomen. 

Wat je niet kunt veranderen, daar moet je je niet druk om maken. Maar de reis zelf, maak die zo mooi mogelijk. Ik denk dat René die boodschap ook aan Marion en hun kinderen heeft meegegeven, vóór hij zelf moest gaan. Met de belofte dat hij op ze zou letten en hen met raad zou blijven bijstaan op hun reis. Gevleugelde woorden. Een fijne wandeling. Met veel witte bloemen. Voor hen, voor zijn familie en voor z’n vrienden. Ik wens het iedereen toe, voor nu en voor de toekomst.