Vind je vlinder…

Mijn zus was één van de eerste gasten van Hospice Doevenbos. In mei 2016 verbleef ze er twee dagen. In november van dat jaar mocht ik in een herdenkingsbijeenkomst, net als deze, een verhaal aan haar wijden. En sindsdien heb ik de eer om tijdens elke halfjaarlijkse herdenkingsdienst een verhaal aan u te mogen voordragen, passend bij het thema. Deze keer is dat ‘Vlinders’, zoals u uit de zorgvuldig gekozen woorden en toepasselijke gedichten van Lucie al heeft kunnen opmaken.

Vlinders. Fladderend van bloem naar struik en meestal voorzien van prachtige kleuren. Een deel van hun leven doorgebracht als rups en na het verpoppen, de rest van hun leven als vlinder. Een vlinderleven. Mijn eerste associatie daarbij is, dat zo’n leven maar één dag duurt. Iedereen kent wel het begrip ‘eendagsvlinders’. Maar wat opzoekwerk leerde me dat de meeste vlinders twee á drie weken leven en er is zelfs een soort die een jaar lang op deze aarde rondfladdert: de citroenvlinder.

Misschien heeft u er ooit wel een gezien? Het is een dagvlinder die in het hele land voorkomt.

Uit de gedichten en woorden van Lucie heeft u al kunnen opmaken dat er veel symbolische gelijkenis is tussen de levenscyclus van een mens en die van een vlinder. Ontstaan uit een eitje, meestal een aantal levensfases doorgebracht als rups, waarna de voltooiing van dat leven zich ontpopt in de vorm van een mooie, kleurrijke vlinder. Een levenscyclus die zich vervolgens alsmaar herhaald. Eén dag, enkele weken tot wel een jaar. Vertaald naar een mensenleven: geboren worden, in een aantal fases volwassen worden om uiteindelijk uit te groeien tot een kleurrijk mens, meestal met een lang en gelukkig leven. Maar soms ook met een te kort en misschien zelfs wel een getekend leven.

Een ieder van u, hier aanwezig, kan zich denk ik bij dat laatste wel een voorstelling maken. Misschien waren de kleuren van het leven van uw dierbare op het laatst ook minder sprankelend. Misschien hebben de omstandigheden bepaald dat hij of zij niet alles ten volle heeft kunnen meemaken. Dat ze delen van het leven hebben moeten missen.

Vlinders denken daar niet bij na, is mijn vermoeden. Als ik ze onbezorgd rond zie fladderen, is het enkel het lot dat lijkt te beslissen hoe het met ze gaat.

Tijdens hun leven verliezen vlinders vaak een deel van hun vleugels, om door te kunnen gaan met leven. Een beschermingsmechanisme dat hen in staat stelt om toch iets van zichzelf te kunnen achterlaten, wanneer hun eigen leven uiteindelijk alsnog ophoudt. Dat deel van hen blijft bestaan, zelfs na hun dood. Ei, rups, pop, vlinder. Telkens weer. De cyclus van vlinderlevens gaat altijd door.

Ook bij verlies.

Vandaag bent u hier omdat u iemand verloren heeft. De cyclus van het leven van hem of haar is stil komen te staan. Maar dát u hier bent, nú op dit moment, is het bewijs dat hij of zij ook een deel heeft achtergelaten, dat doorgaat met leven. In een verdrietige stemming, als het afscheid nog maar kort geleden is. Mogelijk met al weer wat kleur in uw leven als het al wat langer geleden is. Maar hoe dan ook, slaat u straks uw vleugels weer uit. U gaat door met leven, verrijkt met de herinnering aan degene, die u nu herdenkt. Tijd heelt de wonden, zeggen ze…

Drie jaar geleden vloog er een citroenvlinder voor ons uit over het bospad, waarop we liepen. Op weg naar de plek waar mijn zus graag wilde dat haar as zou worden uitgestrooid. Het was precies een jaar na haar overlijden. Alsof de vlinder de weg wilde wijzen, die we moesten bewandelen. Nog steeds bezoek ik die plek en zo nu en dan zie ik daar een vlinder rondfladderen. Toeval? Misschien.

Hoe dan ook, nog steeds is elke vlinder, waar dan ook, in staat om mijn gedachten even bij haar te laten landen. Een fladderend welkom bij een afscheid.

Haar overlijden was een hap uit de vleugels van mij en mijn familie. Het kostte tijd om weer ‘heel’ te worden. Zo nu en dan voelt het nóg alsof er wat ontbreekt. Tijd héélt niet alleen, maar spéélt ook af en toe met wonden. Maar toch. Alles wordt weer heel.


Sinds het overlijden van mijn zus kijk ik anders naar vlinders dan voor die tijd. Onbezorgd fladderende vlinders, met de wind en de zon mee, vliegend van bloem naar struik. Ze laten me zien dat het goed komt, zelfs als het slecht gaat. Dankzij mijn zus. En wie weet, straks ook wel dankzij degene waarvan u nu afscheid neemt. Ik wens u allemaal een zomer toe met veel vlinders. Heel veel…

Engel in het zand…

Zo nu en dan ga ik er naar toe. De plek waar mijn ouders begraven liggen. Ik heb er al ooit eerder over geschreven. Onlangs was ik er weer. Meteen viel me op dat de buxushaagjes, links en rechts van het kruis, vervangen waren door twee rijen heideplantjes. Mooi, en heel begrijpelijk, want hoewel er weer een heel klein beetje leven in de haagjes zat, was het toch vooral een dode boel. Excusez le mot…

Het kleine stenen clowntje dat eerst jarenlang links onder bij het kruisbeeld van mijn ouders heeft gestaan, was met de heideplantjes mee verhuist naar rechts. Het waaide nogal flink die dag en waarschijnlijk was het beeldje door de wind omver geblazen. Terwijl ik in gedachten de jaartallen op het kruis in me opnam, dwaalde mijn blik wat verder af naar rechts.

Op het kerkhof ontstaan zo hier en daar wat lege plekken. Graven worden geruimd, wanneer er na lange tijd geen nabestaanden meer zijn die voor de plekken betalen. Zo is er rechts van het kruis van mijn vader en moeder waarschijnlijk een plekje vrij gekomen. Netjes aangeharkt viel me op. Alsof er reclame voor moest worden gemaakt. Maar nog opvallender was een klein stenen engeltje dat daar in het zand lag. Ook omgevallen leek het wel.

Het engeltje en het clowntje, allebei mogelijk geveld door de wind. Het was een aandoenlijke aanblik. Misschien ook wel gevallen voor elkaar, mijmerde ik er wat op door. Ik heb ze in eerbied allebei laten liggen waar ze lagen. Als ik een volgende keer weer ga kijken, ben ik benieuwd of ze dichter bij elkaar zijn gekomen. Mijn ouders hebben wel meer mooie dingen gedaan in hun leven…

er ligt een engel in het zand
het lijkt een heel klein wonder
alsof ze door het zand heen kijkt
en alles ziet daaronder

ze ziet zo wat er ooit eens was
de ups maar ook de down
en als ze daar bedroefd van wordt
is daar ineens de clown

hij laat zich vallen op de steen
blinkt uit op clowns gebied
hij grapt en grolt en buitelt, tot
het engeltje hem ziet

er is contact op hoog niveau
ondanks haar blik naar onder
het engeltje daar bij die clown
maakt beiden heel bijzonder...

Vliegensvlug…

fishermens’s friend en avondzon
één uur, dan zakt die achter bomen
ik voel de koelte in mijn keel en
een traantje langzaam boven komen

‘och, sterk spul hè’, denk ik onterecht
en jaag een bromvlieg van mijn been
de koelte in mijn keel trekt weg
maar om die traan kan ik niet heen

toch, vóór dat die mijn oog verlaat
word ik getroost met mijn verdriet
brengt elke vlieg een boodschap mee:
op deze plek, daar huilt men niet…

hun aantal groeit met de minuut
overtuigend zijn ze, en met veel
ik glimlach, en heel resoluut
verdwijnt de koelte in mijn keel

vliegensvlugge therapieën
bij veel doktoren onbekend
masseren honderd pootjes knieën
in avondzon, fishermen’s friend…

Aardigheidje…

Het pad…

Soms komen dingen samen en dan moet het zo zijn.

Afgelopen vrijdag zat ik hier. Op het bankje onder de oude eik. Zoals altijd eerst de serene rust en de relatieve stilte in me opnemend. Het wuivende koren waar ik de laatste weken op uitkeek, was gemaaid. Hoe zou het met Hanni zijn, vroeg ik me af.

Gistermiddag, op zondag, ben ik weer naar het bankje gefietst. Hetzelfde mooie zomerse weer. In die sfeer de eerste regels van een gedicht op digitaal papier gezet. Het pad, dat langs eik en kruisbeeld loopt, ter inspiratie. Stoeien met woorden, die soms vanzelf komen, maar ook vaak wat weerbarstig zijn en niet meteen willen zeggen waar ze voor staan. Dan is het goed om het even te laten. Zeker wanneer je dochter belt of je bij Passi een ijscoupe warme kersen wil komen eten. Soms komen dingen samen en dan moet het zo zijn.

Bij Passi heb ik desgevraagd Pip en Thea laten lezen wat er tot dan toe op papier was gekomen. ‘Ik moet er nog wat mee’, vertelde ik hen. En ik nam me voor om er s’ avonds of op mijn vrije maandag verder naar te kijken. Diezelfde avond viel er een kaart in de bus. Een kaart, met op de voorkant een foto van het pad naar huis Ten Brink. En in de kaart een gedachtenisprentje, waar Hanni op datzelfde pad stond, de camera inkijkend.
Hanni bleek vrijdag te zijn overleden. Morgen wordt ze in besloten kring begraven.

Nu zit ik er weer. Het gele stoppelveld steekt mooi af tegen het groene weiland dat er voor ligt. Wolken zie ik als grote lichte vlekken op me af komen, aaiend over het pad en over het geel en groen. De regels waar ik zondagmiddag nog niet meteen van wist waar ze voor stonden, hebben nu een bestemming gekregen. Ze zijn voor Hanni en voor iedereen die haar vanaf nu in gedachten met zich meeneemt. Voor Walter, Stefan, Guido, hun aanhang en kinderen. Voor de familie en haar vele vrienden en bekenden. Soms komen dingen samen en dan moet het zo zijn. Waar we ook lopen en welk pad we ook gaan…

het karrenspoor doorsnijdt
de schaduw van de eik
het oude pad loopt wijd
trekt eeuwen al bekijk

de wind, de zon, de wolkenlucht
de bloemen en het gras
een eeuwigheid in vogelvlucht
waar zij heel even was

een fractie deelgenoot te zijn
van alle tijd op aarde
dat lijkt zo nietig en zo klein
maar is van grote waarde

de zon, de wind, die weten dat
die zien het grote wonder
één steentje op het oude pad
maakt héél het pad bijzonder…

Vogelpoep…

Op de T-splitsing van de Dr. Droesenweg en de weg naar Meterik. De picknicktafel onder drie bomen. Heel goed kijken waar ik kan gaan zitten, want zo goed als de hele tafel en bank zit onder de -gelukkig opgedroogde- vogelpoep. Onder de tafel wat ingedeukte lege blikken en sigarettenpeuken. Er zijn blijkbaar meer mensen die het plekje zonder poep hebben gevonden.

Ik laat de vogelpoep en de troep voor wat die is en wil het eerstvolgende benoemen dat in me opkomt: Willem Engel. Wát een zelfgenoegzaamheid in dat gezicht toen hij na het kort geding naar buiten kwam. Zijn fans zongen hem toe. ‘Willem bedankt, Willem bedankt’ en hij kreeg volgens mij ook nog bloemen. De demonstratie op het Malieveld mocht niet doorgaan, maar de aanklacht tegen de staat, dat had hij toch maar mooi voor elkaar gekregen.

En het voelde goed bij de fans. Willem verwoordde precies wat iedereen dacht. De regels moesten overboord. De staat wist er niets van. Het was allemaal doorgestoken kaart. Die anderhalve meter had geen enkele zin en eigenlijk moest alles anders dan dat er tot nu toe was beweerd. Maurice de Hond had het ook gezegd en Willem was het daar roerend mee eens. En andersom. Want zij wisten het beter. Maurice en Willem, de Messias van #viruswaanzin.

Wát zij wisten, dat wist de PVV en FvD ook. Meerdere malen tijdens kamerdebatten, hekelden zij het beleid van de regering. Zij waren de zelfbenoemde stem van het volk. En dat volk wilde anders. Baudet met zijn kenmerkende, nét zo zelfgenoegzaam lachje als Willem en Wilders met zijn diep ingesleten, getergde blik. Zij wisten het. Het volk, waar zij voor stonden, wist het. Alleen de regering, die wist het niet en -o Holland let op!- die wilde het zelfs niet weten.

De petitie van stichting #viruswaanzin werd blijkbaar door meer dan een half miljoen mensen ondertekend. En duizenden mensen hebben volgens Willem gedoneerd aan de stichting, zodat ‘er wel duizend keer een kort geding kan worden aangespannen’. Nodig, vindt Willem, ‘want de strijd kan nog wel twintig jaar duren’. Willem is op een missie. En hij heeft de Hollandse wind mee. En de hooligans, maar die organiseren zich zelf. Hoewel sommigen de petitie misschien ook wel ondertekent hebben.

Twintig jaar…

Hoe lang zou het duren voordat vogels een picknicktafel volledig hebben ondergescheten?

De anderen…

Denken dat het anders is dan wat anderen denken. Niet alleen het gevoel hebben, maar ook zeker weten dat het anders moet dan anderen denken. En dat gevoel van zekerheid dan omzetten in anders doen dan anderen doen. In de hoop dat die anderen dan gaan denken dat het anders is dan zij in eerste instantie dachten. En hopelijk anders gaan doen dan dat ze deden.

Er zit een volgorde in het bovenstaande. Het begint ergens mee en dan komen er reacties. Laat ik de coronacrisis als actueel voorbeeld nemen. Toen die begon volgden er maatregelen. Afgekondigd door mensen die het op dat moment voor het zeggen hadden. En iedereen vond er wat van, maar deed over het algemeen wat er werd afgekondigd. Want er was, voor zover dat mogelijk was, over nagedacht.

Totdat het wat langer ging duren en er meer tijd was om na te denken. Toen gingen er stemmen op dat het misschien wel anders was dan wat aanvankelijk werd gedacht. Het gevoel werd zekerheid en men ging anders doen dan wat anderen deden. Want de anderen hadden ongelijk en dat moest worden veranderd. Want de anderen zeiden niet wat anderen wel zeiden en dat maakte de anderen verdacht.

Actie. Demonstreren. Laten zien aan de anderen dat je er anders over denkt. En jij niet alleen. Heel veel anderen. Maar dan verbieden de anderen dat. En weer anderen doen niet mee. Omdat ze vinden dat dat op basis van de eerder afgekondigde maatregelen niet veilig is. Maar jij vindt juist dat het anders is. Een kort geding moet uitkomst bieden, maar de rechter geeft de anderen gelijk. Dus kiest hij partij voor de anderen. Dat schiet niet op.

Het moet anders. De anderen doen het verkeerd en er is niemand anders dan jij, samen met heel veel anderen, die het wel goed doen. Dus wat moet je dan. Je hoort niet bij de anderen want jij denkt anders. Vind ook dat de anderen anders moeten denken. Dus je denkt na hoe het nu anders moet. Omdat je denkt dat die anderen daar niet over nadenken. Die anderen gaan er niet uitkomen. Jij wel, want jij hoort bij die anderen.

als jij denkt
dat het anders moet
dan doet de ander
het niet goed

omdat je anders
bent dan zij
hoort elke ander
er niet bij

iedereen is anders
anders dan iedereen
hoor je bij de anderen
juist dan ben je alleen

zoek het niet
in het verschil
zoek naar wat
je samen wil

Artwork: Matteo Paganelli (Unsplash.com)

Hoe zal ik het zeggen…

‘Je hebt nooit geschreven wat je eigenlijk had willen schrijven. En daarom houdt het schrijven ook nooit op’. Ik las het onlangs ergens maar ik weet niet meer precies in welk verband. Het had te maken met inspiratie. Maar ook met het maken van keuzes. Ik kan me wel vinden in die uitspraak. Ik herken de drang om te schrijven, zelfs als je nog niet weet waaróver je wil gaan schrijven. En als er vervolgens toch iets ontstaat, dan blijft het gevoel dat je mogelijk niet helemaal tot de kern gekomen bent. Dat houd je dan tegoed voor de volgende keer.

Ik heb het schrijven wel eens aangeduid als het maken van een soort van nalatenschap. Iets maken dat blijft, om een deel van mezelf achter te laten. Dat klinkt nogal dramatisch, maar zo bedoel ik het niet. Of tenminste, in die letterlijke betekenis van nalatenschap zie ik dat meer als een automatische bijvangst. En bovendien nog maar alleen als mijn blogsite -mocht ik er ooit niet meer zijn- ook daadwerkelijk in de lucht blijft. Niets is zeker in het leven en zeker dat niet. Het vluchtige van de digitale wereld kan tegelijk mateloos confronterend zijn. Misschien nog wel een leuk onderwerp om een volgende keer over te schrijven…

Het meeste dat ik schrijf, landt digitaal. Een column of gedicht bewaar ik in eerste instantie op mijn site. Van daaruit wordt er automatisch op Facebook, Twitter en LinkedIn melding gemaakt van het zojuist bewaarde. Zodoende confronteer ik de rest van cyberspace ermee. Het is dus niet alleen een behoefte om vast te leggen wat ik denk, maar tegelijk wil ik het delen met de rest van de wereld. Ik laat het na, op hetzelfde moment dat het ontstaat. Ook hier weer een interessante paradox die ik een ander keertje zou kunnen oppakken: Hoe verhoudt ‘nalaten’ in de zin van erfenis zich tot ‘nalaten’, in de zin van iets niet doen? Interessant…

Hoe dan ook, ik laat bewust anderen ongevraagd in mijn gedachten kijken, en gebruik daar woorden en zinnen voor. Ik heb er ooit in een verontschuldigende bui het woord ‘teksthibitionisme’ voor gebruikt. Want ik ben me er voortdurend van bewust dat het niet vanzelfsprekend is dat anderen de columns of gedichten lezen. En als ze die lezen, of ze er wel van gediend zijn. Toch kies ik er voor om mijn schrijfsels consequent te blijven delen. Voortdurend ‘na te laten’ aan wie dan ook. Aan de ander de keus om er iets mee te doen. Of niet.

O ja, er is nog een voordeel aan het schrijven, realiseer ik me al schrijvende. Puur eigenbelang. Ik merk dat het mijn geheugen helpt, wanneer ik een column van jaren geleden of een gedicht teruglees. Dus mezelf laat ik zo ook nog wat na. Dat dus, opgeteld bij de constatering aan het begin van dit schrijven. De uitspraak die ik wel herkende. Dat wát ik schrijf achteraf misschien wel nooit precies is wat ik had willen of had moeten schrijven. Dat betekent voor mij dat ik er voorlopig nog wel mee door ga, met schrijven over wat me bezighoudt en me inspireert. Je mag het lezen, als je wil. En reageren mag ook.

Hoe zal ik het zeggen…
Photo by Jamez Picard on Unsplash

Bestemming…

de witte bloem die wuift
in schoonheid naar het gras
alsof de plek waar dat ze bloeit
er voorbestemd voor was

er staan er zo nog heel veel meer
te onpas en te pas
net of dat op elke stek iets groeit
waar het voorbestemd voor was

op en in en naast elkaar
een kleurrijk samenspel
omdat het altijd al zo was
kan dat bij witte bloemen wel

Wolken rond Hanni…

Hemelsbreed zal het zo’n vijfhonderd meter zijn. Van de plek waar ik nu zit tot het huis waar ik vroeger menige avond heb doorgebracht. Op het eind van mijn middelbare schooltijd was ‘huis ten Brink’ de plek waar we samenkwamen. Waar we naar muziek luisterden en ieder op zijn of haar manier, mede dankzij die plek, mét elkaar groeiden in het leven. Ik herinner me het grote examenfeest, dat we met z’n achten gaven. Vier waren er geslaagd en vier niet. Ik hoorde bij de laatste groep.

Er kon veel op die plek. Zo nu en dan waren we live getuige van het opzoeken van grenzen, wanneer vader Ten Brink met één van zijn zoons, Stefan, Maurits of Guido, in discussie ging over hoe de gemaakte afspraken nu eigenlijk geïnterpreteerd moesten worden. Ik kan me niet herinneren dat ik moeder Ten Brink die rol ooit heb zien nemen. Haar associeer ik meer met de momenten waarop we in de keuken welkom waren en samen wat mochten eten. En dat haar zoons haar volgens mij ook vaker aanspraken met haar voornaam: Hanni.

Nu, op zo’n vijfhonderd meter afstand hemelsbreed, weet ik dat zij in datzelfde huis ernstig ziek is. Weet ik dat haar kinderen haar in deze periode begeleiden. Veronderstel ik dat haar man haar mee verzorgd, met alle liefde en medische kennis die in hem is. Onlangs sprak ik Guido. En nog wat dagen eerder Jordi, die me vertelde over de speciale band die hij met haar had, vanwege hun gezamenlijke betrokkenheid bij het Huis van de Wijk in de Norbertusparochie.

Haar betrokkenheid. Hoeveel momenten waren het niet dat ik haar tegen kwam? Bij legio gelegenheden waar ik bijeenkomsten mocht presenteren, meestal met een maatschappelijk karakter. Hanni ten Brink liet daar op niet mis te verstane wijze keer op keer horen hoe ze over zaken dacht. Sociaal. Betrokken. Vader Ten Brink zag ik in diezelfde tijd vooral wanneer hij met vaste tred door Horst wandelde, in zijn eigen aanwezigheid en in gedachten verzonken.

Net als nu waarschijnlijk. Gedachten aan haar. Gedachten aan de momenten die ze samen beleefden. Gedachten aan Claudia, aan Judith en aan Maurits. Drie van hun kinderen waarvan het leven, in al zijn oneerlijkheid en hardheid, hen al afscheid van had laten nemen. Aan Marc, die een tijdlang letterlijk bij hen kind aan huis was, maar ook niet meer onder ons. Hoe zij, hij en Hanni, ondanks of dankzij, toch samen het leven bleven omarmen. Met Stefan en Guido en de mensen die hen lief waren.

Tot nu. Opnieuw een moment dat het leven en de tijd hun grillige kanten laten zien. Onontkoombaar. De tijd die hier vijfhonderd meter vandaan waarschijnlijk langzamer voorbij gaat, dan op andere plekken. Maar voorbij gaat ze. Naar een andere staat van zijn. Op weg naar een andere wereld, waar -wie weet- weer heel veel dingen samenkomen. Waar Claudia, Judith, Maurits en Marc missschien wel op haar wachten. Wie zal het zeggen. Het is haar gegund. Juist vanwege haar betrokkenheid en om wie ze is.

Zij was het die me ooit gezegd heeft dat ik een boek moest schrijven. In 2016 heb ik dat gedaan. De titel ‘Tijd heelt alle woorden’. Ondertitel ‘Troost en herkenning’. Als tijd alle woorden heelt, dan helen woorden misschien ook wel de tijd. Vandaar deze woorden voor haar en voor hen die haar straks in dit leven moeten missen. Maar tegelijk ook voor al diegenen die haar zometeen mogelijk weer gaan zien. Voor ons dus eigenlijk. Wie weet. Hanni…

Te vroeg gegaan…

De picknicktafel waar eerst vier mensen aan konden zitten, is vervangen door een twaalfszits-exemplaar. Er is een breed pad vlak langs de beek aangelegd, waar het eerst dichtbegroeid was. Toen had je alleen het smalle pad langs het water. Daar komen nu met een zekere regelmaat wandelaars, hardlopers of fietsers voorbij. Het wordt druk op jouw plekje…

Ik heb het idee dat er struiken zijn gerooid. Je plek is meer open geworden. Door de kastanjebomen druppelt er zonlicht op het frisse groen. Niet steeds, want voorbij waaiende wolken zorgen voor schaduw. De wind is vandaag nadrukkelijk aanwezig. Ik merk het vooral aan de hoeveelheid blaadjes en takjes op de tafel. Ook aan een te vroeg van de boom gevallen kastanje…

Te vroeg…

Te vroeg. Dat is het. Mensen gaan te vroeg. Of kun je dat niet zo zeggen en is alleen het tijdstip van vertrek op een ongelukkig moment gevallen. Vooral voor hen die achterblijven en nog alle tijd lijken te hebben. Vandaag in de Hallo opvallend groot het overlijdensbericht van Pieter Duijf gelezen. Stil van. Iemand die we vóór corona -toen je nog zomaar het café in mocht- regelmatig met zijn vriendengroep daar tegenkwamen. Niets aan de hand toen…

Het stemt tot nadenken. Het relatieve van tijd, die altijd door gaat, maar voor deze en gene toch ineens stil staat. Omdat eenieder van ons dat ooit heeft meegemaakt, gáát meemaken of juist op dit moment aan het meemaken is, is het goed om er even bij stil te staan. Of te zitten. Aan een tafel voor twaalf personen bijvoorbeeld, met uitzicht op druppels zonlicht in het groen.

Er valt een nóg jongere kastanje uit de boom. Door tijd en wind bepaald. Je hebt er niks over te zeggen…

de wind speelt
uren met de tijd
de tijd deelt
zon en regen

en kwijt of
spijt of afscheid
daar kan de tijd
wel tegen

de tijd bepaalt
spelenderwijs
wanneer het licht is
wanneer grijs

de tijd die weet
wat kleuren doen
verstopt in jong
kastanjegroen

niets aan de hand
maar dat was toen
nu druppelt zonlicht
tussen groen

en niemand
kan er
wat aan
doen…