Levensloop

Geboren worden. Als vijfde. Geboren zien worden. De zevende. Oplopende kinderrij in jaren. Vader en moeder. Weg zien gaan. Terug zien komen. Vaker dan één keer. Tot die láátste keer… vader terug zien komen.

De kinderrij van zeven. Oplopend in jaren. We gingen, we kwamen. Áflopende rij van zeven naar één.. naar géén..

Vader. We gingen erheen. Soms kwam er niemand en was hij alleen. We gingen, we kwamen. Vaker dan eens… tot die laatste keer…

Ze zijn nu weer samen, onder een kruis. We gingen, we kwamen en gingen naar huis. Werden zelf vader. We kwamen en gingen. En ieder ‘t zijne, met ieder z’n dingen.

Een dochter, een zoon. Ze kwamen en gingen. Ze vormden weer paren en gingen en kwamen. Voorbij gingen jaren en altijd nog samen. Dus zijn we met zes nu.

Maar straks weer met zeven. Want bij één van de zes groeit heel langzaam nieuw leven 💙.

Dat brengt me bij zeven, het getal van ‘t begin. Het getal van het leven, van het komen en gaan. Van het lopen van paden. Van het hopen en raden hoe het verder zal gaan.

Padenlang raden in een tuinlabyrint. Naar wat de toekomst gaat brengen… en naar de naam van het kind 💙

Alles of niks…

Geen idee
Wat er komt
Of het schrijven
Verstomd
Zonder woorden
Van waarde
Net als alles
Op aarde

Zie het blauw
Van de lucht
Na het grauw
Van de regen
Denk ‘nou, nou’
Als ik zucht
Handen vouw
Hoop op zegen

Rancune…

In gedachten verzonken fietste ik rustig rechtdoor. Ineens hoorde ik hem achter me. ‘Nooit van links komen gehoord?’ Verbaasd keek ik om. ‘Nooit van links komen gehoord?’ zie hij nog een keer toen we op gelijke hoogte waren. Z’n stem klonk geërgerd. Enigszins verrast door zijn vraag herhaalde ik zijn woorden. ‘Nooit van links komen gehoord? Jawel hoor!’

Het was een grote, wat gezette man in een nauwsluitende wieleroutfit op een mountainbike. Hij had een flitsende aerodynamische valhelm op zijn hoofd, wat ik meteen al wat overdreven vond. Ik had hem twee tellen eerder wel gezien. Hij kwam van rechts, maar omdat hij wat inhield en twijfelde, meende ik dat hij me voor wilde laten gaan en dus peddelde ik rustig door.

Toen hij het de tweede keer zei, keken we elkaar heel even aan, maar ik kreeg de indruk dat hij dat al meteen teveel eer vond voor mij. Stuurs keek hij weer voor zich en versnelde. ‘Succes nog, hè!’, riep ik hem na, in een poging om de gevoelde minachting in zijn blik ietwat te neutraliseren met een kleine portie sarcasme.

‘Nooit van je hand uitsteken gehoord?’, had ik eigenlijk moeten zeggen, maar zoals zo vaak, komt het antwoord dat het meest adrem lijkt, altijd te laat. Even voelde ik de neiging om hem in te halen en het alsnog te zeggen…

Ik heb het niet gedaan. Wel nog een hele poos tijdens mijn verdere fietstocht aan het voorval gedacht. Een spontane, volgens mij totaal ongevaarlijke, situatie op een stille  t-splitsing in het buitengebied. Een ontmoeting op een zonnige zomerdag. Geen vuiltje aan de lucht. En dan: onverwachte ergernis veroorzaken..

Was hij thuis al boos vertrokken en was ik zijn uitlaatklep? Of had ik hem misschien toch te laat gezien? Had hij daarom getwijfeld en had ik dat verkeerd geïnterpreteerd? Me van geen kwaad bewust en dan toch iemand boos maken. Het kan blijkbaar zomaar gebeuren.

Of zou hij gewoon een informatieve vraag gesteld hebben, zonder enige bijbedoeling? Zou ook nog kunnen… In dat geval was mijn antwoord het enig juiste. Ik hád er wel eens van gehoord. De kogel kwam toch ook ‘van links’? Zou hij zich daar met terugwerkende kracht boos over hebben gemaakt? Kun je door de gaten van zo’n valhelm toch een zonnesteek krijgen en verward raken? 

Hoe dan ook, ik hoop dat hij zich de rest van zijn fietstocht heeft afgevraagd waarvoor ik hem succes heb gewenst..

Boerenlandschap

wat moet ik er van vinden
van alles dat er fout gaat
als alle tijd, daarmee gemoeid
van goede dingen af gaat

de energie van al wat mis is
die heeft zo’n negatieve lading
ik denk weleens, wat ongewis is
daar zit heel weinig van mijn gading

ik weet het niet, ik vind wel wat
maar tijd te weinig en te kort
dus focus ik me meer op dat
waarvan ik, hoop ik, blijer word

de wolken
hangen laag vandaag

alsof ze fluisterstil
wat willen zeggen

wit en wijs
wat uit gaan leggen

nog vóór de wind
ze heeft verdreven

die wolken niet
het woord wil geven

dan worden
witte wolken grijs

En klein stukske…

vlak achter un kepèlke
-ge kunt tur ma net door-
dao stiët en hiël klein benkske
vlak beej en stiënse moor

ge zit dao lekker oet de weend
ma kunt tur biëstig wiënig doon
ut benkske raakt de moor untreent
ôp ‘t stuupke passe net oow schoon

ge kunt tur zitte, nauwliks dreije
ma hooft teminste neet te staon
en zödde toch waat wille beije
da kunde nao de veurkant gaon

Achterum kunde zitte… (foto: http://www.kerkgebouwen-in-Limburg.nl)

Toon…

wolken liggen loom
in lagen
op en in en bij elkaar
en ik, ik zit me af te vragen
ziet hij mij ook
hier bij de boom

was hij erbij
de laatste dagen
zag hij zichzelf daar op de baar
ik zou het hier wel kunnen vragen
of later
aan die wolken daar…