Zaterdagmiddag, half zes. Met een potje pinda’s en een Franciscaner op het terras bij Liesbeth. Nadenken over hoe ik mijn project op ‘Voor de kunst’ verder inhoud ga geven. Vanmiddag ook de promo gemaakt. Leuk en spannend. Wordt vervolgd.
Galerijen
Op een dag als vandaag…
Onderstaande gedicht op muziek voorgedragen tijdens café de Verbeelding. Hieronder de tekst, maar als je het horen wil kan dat ook.
Op een dag als vandaag
Stel ik hier aan mezelf de vraag
Is alles wat er gebeurt
ook door mij ingekleurd
of houd ik me afzijdigben ik ook, net als velen van ons teveel van zwijg en stem toe
denk ik te vaak, ach wat doe ik in ‘t geheel er ook toe
dus, laat maar gaan, komt wel goed en blijf ik doen wat ik doetot op de dag van vandaag
heel vaak toch steeds die knagende vraag
hoe maak ik het verschil
is alleen omdat ik het wil
eigenlijk niet veel te weinigJa maar…
Wat moet je doen vandaag de dag
Waar wie ook maar wil alles maar mag
Iedereen alles vindt
niemand vergevingsgezind
en zovelen rechtlijnigOp een dag als vandaag
Zijn mijn antwoorden meestal wat vaag
‘k Zeg enkel dat is niet goed
En soms hoe het wel moet
maar dat voelt tegenstrijdigKan ik, net als velen van ons, veel meer doen dan wat ik doe
En als dat zo is, en dat hoop ik, weet iemand dan hoe
Ik neem het graag aan, hoe het moet of wijs me de weg er naar toeOp een dag als vandaag
Stel ik aan mezelf (en aan jullie) de vraag
Is alles wat er gebeurt
ook door mij (en door ons) ingekleurd
of houden we ons teveel afzijdig
Don’t take your heart to heaven… (translation)
Last Sunday evening at Cambrinus. The two musicians who performed in the afternoon, were invited by Jan to join us at the regular table. Doug Morter and Alan Thomson. The former was born in London, but currently living in Denmark. The latter a Scot, who was still living in Glasgow. Their musical experience was quite impressive, if I may believe the announcemtent of Jan. I’m not really able to judge that. However, the thing that especially impressed me was the story that Doug told us at the regular table. It concerned the background of a song he had been producing at the very moment.
Years ago a friend of his, Jim Gordon, was blessed with a daughter. The little girl was born with a severe heart condition. The only thing that could save her was an operation, an operation that, at that point, unfortunately couldn’t be performed in Denmark. In England it could, but at that time the costs weren’t covered by health insurance. Jim then began a crowd-funding. I don’t know if such a concept already existed back then, but anyway. Among other things he did, he wrote a song. The earnings of which were meant for the operation of his little girl. And it worked. When she was just three months old, she got the operation in England. Because of that she lived for another ten years. And that was already ten years ago.
If I accurately remember the rest of the story, Jim later lost another daughter in a traffic accident. As a result, this song got even more depth. Perhaps that was the reason to release it again. Aditionally this song would become the anthem for a charity event of the Heart Foundation. Therefore Doug wanted it to sound perfect. Listening to how the song sounded in different settings would surely contribute to that. A little while later we listened to the song, which Doug played using his laptop and the speakers of Cambrinus. Like I said, very impressive. Musically -although I’m not really able to judge that- but mostly, I was impressed by the lyrics.
As a reminder I typed one sentence into my iPhone on the spot. The more I thought about it that evening, the more beautiful the sentence became. And the more depth I recognized in it. The sentence inspired me and I was determined to share this evening, this meeting and this experience. I also told Doug that when the evening was nearing it’s end. The following day the sentence continued to go around in my mind: ‘Don’t take your heart to heaven, God knows we need it here.’ So beautiful. Jim’s deep pain was in those words, but I also recognized admirable optimism. And hope. And also a deeply lived trust. And it made sense that Doug wanted this song to sound perfect, so many years later. For Jim, for Jim’s two daughters, but mostly for everybody that had to hear this message.
This evening I searched the internet for Jim Gordon. On his website the song was placed prominantly at the top of his songlist. That could be a coïncidence, but I like the thought that it isn’t. Doesn’t really matter. ‘Don’t take your heart to heaven’ is the title. For years my donor card has been behind my creditcard.Last Sunday, because of a beautiful sentence, I have felt the importance and the worthfullness of that fact throughout my core. So, finally, one more time: ‘Don’t take your heart to heaven, God knows we need it here’.
Moreover, below is the link to the original song. Because the rest of the lyrics are also worth it to listen to. And later it will become even more beautiful. Because of Doug. And I wouldn’t be surprised if Alan would also be included. Anyway, their websites have my attention from now on. And knowing Jan a little, he also won’t let these men out of his musical sight. Will be continued, much like a life can be continued by…Oh well. The song below says it all.
http://www.broadjam.com/player/player.php?mediaID=61931&embedded=small&autoplay=false
Goed gesprek
Gisteren heb ik met een vriend lang gesproken over keuzes in het leven. Onder het genot van een lekker glas bier ging het over mooie en minder mooie dingen. De avond zelf, nu ik er vandaag, zaterdag 3 september, op terugkijk, hoort definitief bij de eerste categorie. Sommige onderwerpen waarover we spraken zou je onder de minder mooie dingen kunnen scharen. Maar ook dat is een keuze. Een lastige keuze vind ik zelf.
We spraken over onze kinderen, onze vakanties, ons gezamenlijk verleden en over de toekomst van de wereld. En naarmate het later werd hebben we dat rijtje nog aangevuld met politiek, de problematiek van godsdienst in wetgeving, de Koran, Erdogan, Wilders, Islam, vluchtelingen en de strijd tegen extremisme in het algemeen. Hoezo kiezen als je het over alles kunt hebben? En met een lekker biertje erbij praat dat steeds makkelijker.
Onze kijk op de wereld met zijn mooie en minder mooie kanten. Goed om te merken dat zo nu en dan ‘agree to disagree’ toch telkens weer nieuwe gespreksstof opleverde. Met elke keer opnieuw de behoefte om te overtuigen en gemaakte keuzes uit te leggen. Vreemd en interessant tegelijk.
We spraken over keuzes en misschien wel vooral over het niét maken van keuzes. Over blind en doof zijn voor duidelijk zichtbare en luide argumenten. Over polderen en extreme opvattingen. We spraken over de vrijheid om daarover te kúnnen spreken. En de angst om dat in de toekomst misschien niet meer te mogen. We hebben gesproken over de keus om daar nú iets van te zeggen. Zichtbaar en hardop.
En we hebben het gehad over de keus om over extremen juist niéts te willen zeggen. Geen stelling te willen nemen of de strijd aan te willen gaan. Maar in plaats daarvan te doen en te handelen naar wat redelijk lijkt. Omdat je aan reacties bij de ander ziet dat het redelijk ís. Soms zelfs dat wat je doet als heel goed ervaren wordt. Handelen naar eer en geweten. Ook een keuze. En net zo min een makkelijke.
Vier uur vanochtend stapten we het bruine café uit. We waren niet de laatsten, maar ik heb toch heel sterk het vermoeden dat er daarna binnen veel minder is gesproken. Misschien wel meer gerookt trouwens, hoewel dat, toen wij aan de bar zaten, toch ook heel stevig moet zijn gebeurd. Ik heb mijn kleren vanochtend in ieder geval zonder enige twijfel in de wasmand geknikkerd. Die keuze was makkelijk.
Ik verheug me op de volgende keer. Want we waren nog lang niet uitgepraat.
Het verhaal horen? Dat kan. Ingeleid met muziek van Bløf (Mens) en afgesloten met John Lee Hooker en Bonnie Rait (I’m in the mood). Klik hieronder.
Voor pap
De ventilator blaast een frisse wind in mijn richting. Door de boxen zingt Herbert Grönemeyer mooie zinnen. ‘Man glaubt, der Regen tut einem nichts’ en ‘Sommerträume liegen vor der Tür’. Het is buiten 28 graden en ik probeer binnen mijn gedachten weer een keer woorden te geven.
Het nummer waar de mooie zinnen uit komen heet ‘Blick zurück’. Het staat op de cd ‘Mensch’. Terugkijken, in gedachten, naar mensen. Ik heb het de afgelopen week gedaan en tegelijk om die reden een aantal dialectgedichten gedeeld. Herinneringen aan mooie mensen die er niet meer in levende lijve zijn.
Elke keer krijg ik een brok in mijn keel als ik Herbert Grönemeyer het lied ‘Der Weg’ hoor zingen. Dat lied gaat met name over zijn vrouw Anna, die er ook niet meer in levende lijve is. De hele cd heeft hij opgedragen aan haar, getuige de laatste twee woorden in zijn dankwoord. Für Anna. Kort en eeuwig.
Er staan tien nummers op de cd plus een bonustrack. ‘Zum Meer’ is het laatste nummer waarvan de tekst in het cd-boekje staat. Een aangrijpende tekst, waarin hij zijn gevoel over het verlies en zijn reactie daarop bezingt. Prachtig. De bonustrack ‘Letzter Tag’ duurt 3.27 minuten. Pas vandaag valt me op dat na de laatste noot het nummer doorgaat in stilte. Minutenlang.
Na veertien (!) minuten hoor ik een soort van zachte hartslag opkomen die overgaat in een Engelstalig lied. Dat lied duurt nog een stevige drie minuten. Het lievelingslied van Anna? Van hen beiden? De symboliek van de stilte die uiteindelijk toch weer leidt tot leven? De metafoor van de rouwverwerking die Herbert Grönemeyer in stille eerbied met de geduldige luisteraar wil delen? De laatste dag die uiteindelijk toch weer een morgen kent?
Nog steeds blaast de ventilator een frisse wind in mijn gezicht. Het voelt wel anders dan zojuist. ‘Der Weg’ klinkt opnieuw door de boxen. ‘Ich trag Dich bei mir, bis der Vorhang fällt’…
Voor Pap
Niet veel zeggen,
niet veel vragen,
‘houd de eer maar aan jezelf’
want hoeveel
een mens kan dragen,
blijkt uiteindelijk
heel vanzelf…Al die jaren,
veel verdragen,
met ons samen,
met jezelf,
was nog in de laatste dagen,
steeds de eer toch bij jezelf.Welke engel kwam jou dragen?
Herkende je die engel zelf?
Niemand kon jou dat nog vragen,
maar echt, lieve pap,
jouw eer die zit nu
in ons zelf…bedankt.
Yuri
Yuri turnt op Lowlands. Hij hangt op muziek in de ringen. Duizenden bezoekers juichen hem toe. Even zovelen filmen de unieke gebeurtenis. Via Whatsapp stuurt mijn dochter de opname die zij ervan gemaakt heeft. ‘Geweldig, nu al het hoogtepunt van vandaag’, schrijft ze erbij. ‘Helemaal te zien op de NOS’, voegt ze toe.
Op social media zie ik meteen soortgelijke opnames van Yuri voorbij komen. De Facebook-pagina van RTL-nieuws wijdt er een bericht aan. Tachtig keer gedeeld en een kleine driehonderd reacties al. Tegen beter weten in klik ik daar even doorheen en mijn vermoeden wordt bevestigd. Haters en likers wisselen elkaar af of reageren op elkaar.
De ‘Lowlympics’ van Yuri zorgt ervoor dat de gemoederen opnieuw verhit raken. En Yuri is daar ongewild weer het gespierde middelpunt van. Hij is zich na zijn muzikale krachtsinspanning vooral bewust van de volle Lowlands tent die hem enthousiast toejuicht. Alle reacties op social media zal hij misschien vanavond lezen, onder het genot van een pilsje. Ik hoop voor hem dat de likers in de meerderheid zijn. Maar ik vrees het ergste.
Wat is dat toch dat mensen beweegt oordeel op oordeel te vellen over iets dat in de kern eigenlijk alleen de persoon in kwestie aangaat? Zou er echt iemand bij zitten die denkt dat zijn negatieve tweet of haatbericht een verschil maakt? Zien ze het als een prestatie om daarin uit te blinken? Steken ze er veel tijd in? Zouden ze daar ook zoveel voor trainen als Yuri?
Ach. Laat ook maar. Ik kijk zometeen nog even naar wat beelden van Churandy Martina.
Gewoon doen…
Inspiratie en positieve energie. Opnieuw dat gevoel na mijn spontane bezoek dinsdagochtend aan het nieuwe onderkomen van ‘Theater Kleinkunst’. Linda is er, en Kitty en Bart. En even later komt Eric heel relaxed binnenwandelen. Nog wat later Mike en Sandy. Mensen die ‘Gewoon doen’ een gezicht geven. Even later komt er iemand kennismaken, die bij ‘Gewoon doen’ mogelijk een creatieve werkplek gaat vinden. Hij wordt begeleid door een vriendin van Sandy en rondgeleid door Bart. Ondertussen drinken Kitty, Sandy en ik een kop koffie en praten over ‘Gewoon doen’.
Linda vertelt over haar vakantie die er aan staat te komen. Ze gaat naar Disneyland Parijs. ‘Kijken of er nog nieuwe Disney-figuren zijn bijgekomen’. Even later laat ze me een blankhouten blad van een tafeltje zien. Ze heeft er papegaaien op geschilderd. Ik weet dat Linda heel mooi kan schilderen, want ze heeft ook ooit voor Funpop schilderijen gemaakt die we als blijk van waardering hebben geschonken aan vrijwilligers die dat verdienden. Het tafelblad wordt mooi. Als het klaar is, zal degene die het straks gaat kopen er heel blij mee zijn.
Met Eric ben ik onlangs vriend geworden op Facebook. Daar heb ik gelezen dat hij bezig is met een schilderij van een museum. Heel gedetailleerd legt hij op Facebook uit hoe het er uit komt te zien. Onder andere met een electrische petroleumlamp aan kettingen, met kaarsen er omheen en in de middelste fitting een lampepeertje. Bijna meteen nadat hij binnenkomt doet hij z’n werkjas aan. IJverig gaat hij aan de slag. Met een echte lamp, zie ik. Als ik opmerk dat hij veel verstand van lampen moet hebben, omdat hij ze ook zo gedetailleerd kan schilderen, lichten zijn ogen op. Met uitgestoken hand komt hij naar me toe en legt nog eens haarfijn uit hoe het zit met electrische petroleumlampen.
Van Bart hoor ik hoe straks al die creativiteit vastgelegd gaat worden op een eigen website en in een eigen webshop. Fotograferen doen ze zelf en ook het digitaliseren en inscannen hoort straks tot de mogelijkheden. Linda vertelt trots dat ze dat ook al kan. En het zou me niks verbazen als Eric daar ook expert in gaat worden. Misschien al wel is. Maar eerst zijn lamp. En misschien moet het schilderij ook nog worden afgemaakt. Bovendien is hij, bij mijn weten, zo goed als altijd van de partij, als de rollen voor weer een nieuwe theaterproductie verdeeld worden. Multitalent. Net als die anderen. In Kitty’s ogen straalt trots als ze het over ‘haar spelers’ heeft.
Sandy vertelt hoe ‘Gewoon doen’ heel organisch ontstaan is. Vanuit haar passie voor mensen en haar filosofie over zorg en ondersteuning van kwetsbare mensen in hun leven. Dat moet je gewoon doen, zegt ze, zoals je dat ook voor je naaste zou doen. Niet alles van te voren bedenken, maar laten ontstaan vanuit een goed gevoel en gezond verstand. Mooi. Samen met de spelers van Theater Kleinkunst hebben ze op die manier Doolgaardstraat 8 al gemaakt tot wat het nu is. Een mooie plek voor zichzelf, voor elkaar en voor hen die er in de toekomst nog van gaan genieten. Een plek waar creatieve ideeën gestalte krijgen. Met z’n allen. Gewoon. Door te doen.
Als ik na anderhalf uur naar mijn werk terug fiets, voel ik de inspiratie en positieve energie door m’n lijf stromen. Op het kaartje dat Sandy me gaf, heeft ze het webadres van ‘Gewoon Doen’ geschreven. Daar lees en zie ik terug wat me die ochtend verteld is. Op foto’s zie ik Linda, Eric, Mike en een groot aantal anderen die ik herken. Van prachtige theater-voorstellingen die ik eerder mocht bijwonen: Bijvoorbeeld ‘Kantelingen aan tafel’ of ‘ ’n Maatje meer’. Ook daar toen geïnspireerd geraakt en energie van gekregen. En nu weer. Op de facebookpagina van Eric lees ik zijn post van 22 juli. ‘Ik wil iedereen bedanken, die nog bij mijn Facebookvrienden is gekomen…’ en ‘ Ik bof met alle vrienden die ik heb’. Ik ook, Eric, ik ook… Horst aan de Maas is een heel mooi initiatief rijker.
Poco Adagio…
De mooie dwarsfluitklanken van Georges van de Ven vullen de huiskamer. Ik heb het volume wat hoger gezet. Alleen thuis en ‘in the mood’ om even de sfeer te vangen in een kort verhaaltje.
Vanochtend onder een stralend zonnetje naar de carbootsale gefietst. Kijken hoe Thea en Pip zich daar als verkopers hebben gesetteld. Voor twee-en-een-halve euro een stempeltje op de hand rijker om vervolgens, met duizenden anderen, sjokkend door de rijen te mogen kuieren. Het is warm. Gelukkig waait het wel.
Een zweetdruppeltje glijdt in mijn nek. Dat is meestal geen goed teken. Het gevoel van té warm en té druk wordt vloeibaar. In één rechte lijn doorgelopen naar de kramen die in de schaduw liggen, daar mijn twee-en-een-halve euro gauw opgekeken en toen weer snel naar de uitgang. Nog even gedag gezegd bij Thea en Pip, maar in gedachten al op het terras in het centrum. Wind in, lichtste verzet, langzaam die kant op gepeddeld.
Na twee cappucino’s en een alcoholvrije, isotone Paulaner is mijn temperatuur weer op een prettig peil. Lekker om zo de kleine wereld van Horst-centrum in me op te nemen. Pokémon-vangende jeugd, foetelfietsende ouderen, passie-ijsetende papa’s en mama’s en al veel vroege terrastijgers, die net als ik genieten van het moment.
Georges markeert met de laatste fluittoon van Allegro 2 het moment van stilte. Mooi hoe in gedachten Bach nog na blijft klinken. Op de CD-hoes van Georges lees ik dat Carl Philipp Emanuel Bach geleefd heeft van 1714 tot 1788. Johan Sebastian Bach van 1685 tot 1750. Meer dan twee-en-een-halve eeuw geleden is bedacht wat ik zojuist door Georges heb mogen beluisteren. Ik probeer me een voorstelling te maken van die tijdsspanne, maar kom niet verder dan de twee-en-een-halve euro van vanochtend.
Het is nu bijna drie uur. Vanaf vier uur klinkt op het zomerterras van Cambrinus de muziek van Manito. Gipsy en flamenco, schrijft uitbater en programmeur Jan Duijf in zijn aankondiging. Zou die muziekstijl over twee-en een-halve eeuw ook nog door iemand op een CD worden gezet? Zoals Georges Bach letterlijk nieuw leven heeft ingeblazen? Of zijn in 2266 alle Pokémons gevangen en is iedereen gechipt en wel aangesloten op één grote database van indrukken? Time will tell…
Ondertussen is het pas 2016. Zondagmiddag, net drie uur geweest. Langzaam en loom tikken de minuten door. In een zuinig zondags zomertempo verstrijkt een mooie middag. Mede dankzij Georges, een poco adagio. Zometeen fluitend naar Cambrinus. Dwars, door de wind.
Don’t take your heart to heaven
Afgelopen zondagavond in Cambrinus. De twee muzikanten die er ’s middags hadden opgetreden, werden door Jan uitgenodigd om ook aan de stamtafel te komen zitten. Doug Morter en Alan Thomson. De eerste, geboren in London, maar woonachtig in Denemarken. De tweede een Schot, die nog steeds in Glasgow woonde. Hun muzikale bagage was al heel indrukwekkend, als ik de vooraankondiging van Jan mag geloven. Ik heb daar niet zoveel verstand van. Wat op mij die avond vooral indruk maakte was een verhaal dat Doug aan de stamtafel vertelde. Het ging over de achtergrond van een nummer dat hij op dit moment aan het reproduceren was.
Jaren geleden kreeg een vriend van hem, Jim Gordon, een dochter. Het meisje werd geboren met een ernstige hartafwijking. Haar enige redding was een operatie, die in die tijd in Denemarken helaas nog niet kon worden uitgevoerd. In Engeland wel, maar dat werd destijds niet door het Deense ziekenfonds vergoed. Jim startte toen een crowd-funding actie. Ik weet niet of die term toen al bestond, maar hoe dan ook. Hij schreef onder ander een liedje, waarvan de opbrengst bedoeld was voor de operatie van zijn kleine meid. En het lukte. Toen ze drie maanden was, is ze in Engeland geopereerd. Haar leven werd zo met tien jaar verlengd. En dat was ondertussen ook alweer tien jaar geleden.
Als ik het verhaal verder goed onthouden heb, heeft Jim later nog een tweede dochter verloren bij een verkeersongeluk. Het bewuste liedje kreeg daardoor nog meer lading. Misschien was dat ook wel de reden om het binnenkort opnieuw uit te brengen. Daarbij kwam nog dat het ’t lijflied zou gaan worden voor een actie van de hartstichting. Ook daarom wilde Doug dat het perfect zou gaan klinken. Luisteren naar hoe het klonk in verschillende settings zou daar zeker aan bijdragen. Even later luisterden we in Cambrinus naar het bewuste nummer, dat Doug via zijn laptop over de boxen van Cambrinus liet klinken. Zoals gezegd, indrukwekkend. Muzikaal -hoewel ik daar niet zoveel verstand van heb- maar vooral tekstueel sprak het me aan.
Als geheugensteun heb ik één zin uit de tekst ter plekke speciaal in mijn iPhone getikt. Hoe meer ik er die avond over nadacht, hoe mooier ik ‘m vond. En hoe meer diepte ik er in herkende. De zin inspireerde me en ik nam me voor om deze avond, deze ontmoeting en deze ervaring te delen. Ik heb dat Doug op het eind van de avond ook verteld. De volgende dag ging de zin nog herhaaldelijk door mijn hoofd: ‘Don’t take your heart to heaven, God knows we need it here.’ Hoe mooi. Jim’s diepe pijn zat in die woorden, maar ook een bewonderenswaardige positiviteit herkende ik er in. En hoop. Een diep doorleefd vertrouwen ook. En zo begrijpelijk dat Doug dit liedje perfect wilde laten klinken, zoveel jaren na dato. Voor Jim, voor zijn twee dochters, maar vooral voor iedereen die de boodschap moest horen.
Ik heb vanavond op internet naar Jim Gordon gezocht. Op zijn website stond het nummer prominent bovenaan z’n songlist. Dat kan toeval zijn, maar ik koester even de gedachte dat dat niet zo is . Maakt ook niet uit. ‘Don’t take your heart to heaven’ is de titel. Achter mijn betaalpasje zit al jaren mijn donorcodicil. Zondag heb ik door een prachtige volzin het belang en het waardevolle daarvan tot in mijn vezels gevoeld. Dus, tot slot, nog één keer: ‘Don’t take your heart to heaven. God knows we need it here’.
Hieronder staat overigens een link naar het origineel. Ook de rest van de tekst is namelijk best de moeite van het beluisteren waard. En het wordt straks nog mooier. Dankzij Doug. En het zou me niets verbazen als Alan daar ook bij betrokken wordt. Hun websites hebben in ieder geval vanaf nu mijn aandacht. En Jan een beetje kennende houdt hij de mannen ook in het muzikale vizier. Wordt vervolgd. Zoals een leven vervolgd kan worden, door… Afijn. Het nummer hieronder spreekt boekdelen.
http://www.broadjam.com/player/player.php?mediaID=61931&embedded=small&autoplay=false
Truus
‘Vijf tot tien minuten, dan kan het wel’. De verpleegster van buurtzorghuis D’n Doevenbos kwam het me vriendelijk vertellen. ‘O, maar dan wacht ik wel even’, zei ik, en draaide me al om. ‘Nee’, zei ze, ‘Truus wil je wel ontvangen, maar niet langer dan vijf a tien minuten. Anders wordt het te vermoeiend voor haar’.
Het telefoontje van haar broer Hai, afgelopen maandag, had indruk op me gemaakt. Hij vertelde over haar ziekteproces en over de definitieve fase die er was bereikt. Truus kon niet meer op zichzelf wonen en daarom was het hospice geïndiceerd. Een dag later was dat geregeld. Ik herkende de voortvarendheid die in mei bij mijn zus ook aan de dag was gelegd.
Ze lag in bed. Haar ziekte had veel van haar gevraagd, maar ik herkende haar meteen. Haar ogen spraken zoals vanouds. Op een tafeltje tegenover haar bed stonden twee fotolijstjes. Zwart-wit foto’s van haar moeder en haar vader. Ze leken eensgezind over haar te waken. ‘Mooi’, zei ik tegen Truus, knikkend naar de foto’s. Truus glimlachte.
‘Ik heb ook de wandklok laten ophangen’, zei ze. ‘En dat schilderij’. Ze wees er naar. Twee huiselijke elementen, die ik vaag herkende uit het verleden, toen ik met regelmaat bij hen thuis kwam. De wandklok hing volgens mij in de keuken, waar ik menige boterham met hen heb mogen mee-eten. Het schilderij was een volgens mij geborduurde afbeelding van een Romeinse strijdwagen. Een gladiator die de vurige paarden in bedwang hield, in kruissteek gevangen.
We spraken kort met elkaar. Over hoe het ging. Over haar geloof dat ze binnenkort haar vader en moeder weer ging zien. Over dat mijn zus diezelfde overtuiging had en daar ook steun uit leek te putten. Over dat ze Trudy kende omdat zij en Trudy collega’s waren geweest. Over afscheid en over hoe vreemd dat was. Over het onvermijdelijke ervan en over de eindigheid van tijd.
Ik ben niet lang gebleven. Het was Truus haar tijd en daar was ze terecht zuinig op. Niet dat ze daar zelf over begon, maar de meegenomen wandklok vertelde zonder woorden haar verhaal. We gaven elkaar de hand, keken elkaar aan en namen afscheid met een tot ziens. Op de fiets wenste ik haar en haar familie in gedachten kracht toe en moest denken aan het schilderij dat ze van thuis had meegenomen. In zwart-witte kruissteek. Wel duizend. En heel even verwonderde ik me over hoeveel het meervoud van ‘kruissteek’ als ‘kruisteken’ klonk.
