In de krant las ik dat de eerste vlucht van een Amerikaanse ruimtesonde langs de zon goed is verlopen. Hij doorstond de extreme hitte en de straling, toen hij maandag 5 november op 24 miljoen kilometer afstand met grote snelheid, historisch dicht langs onze grootste ster scheerde. De sonde doet onderzoek naar de zonnewind, las ik. Onderzoek naar de constante stroom van deeltjes die de zon afvuurt.
Het woord ‘zonnewind’ sprak me aan. Net zoiets als ‘sterrenstof’, maar dan overdag. Zo klein, dat je het niet ziet. Maar toch zó belangrijk, dat er ruimtesondes voor worden gebouwd om het te ontdekken. Waarschijnlijk om wetenschappelijke redenen, maar ik vind het symbolisch belang ervan minstens zo interessant. Ik ben niet erg bijbelvast en ik schrik een beetje van mijn geheugen, maar ik moet ineens denken aan de zin ‘van stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren’. Google vertelt mij dat het uit het oude testament komt. Uit Genesis 3:19.
Sterrenstof. Zonnewind. Op de een of andere manier zijn het hele mooie woorden, die troost in zich herbergen. Stof tot nadenken. Bij het afscheid van een dierbare geeft licht ons troost. We hoorden het Lucie net vertellen. In de vlam van een kaars schuilt warmte. Ze geeft licht, net als de sterren en de zon. En het is daarom niet vreemd dat het licht van de sterren en de warmte van de zon ook troost geven. Onze dierbaren, hoe ver weg ook, hebben die ruimtesonde misschien wel glimlachend voorbij zien scheren.
Sterrenstof. Zonnewind. Misschien moet je je fantasie gebruiken om te geloven dat het er is. Of eigenlijk, om te geloven wat het met je kan doen. Met ons, zoals we hier nu zitten. Maar ook met hen, die we hier nu gedenken. In mijn fantasie zie ik het kleine elfje bij Peter Pan, dat met sterrenstof strooit om de zwaartekracht te overwinnen. Zou sterrenstof mijn dierbaren, mijn vader en moeder, mijn zus, ook lichter hebben gemaakt, zodat ze vervolgens met de zonnewind mee konden waaien, naar plekken, miljoenen kilometers hier vandaan?
Lichtjaren verwijderd en tegelijk zo dichtbij. Zonnewind en sterrenstof. Soms, als de zomerzon op stille zaterdag-ochtenden door de kieren van de gordijnen schijnt, dan zie je het zweven. Sterrenstof, dwarrelend op de zonnewind. Als op een doordeweekse winteravond de volle maan miljoenen sterren bijlicht, dan lijken die te zweven, als stof door de lucht. Is het misschien daarom dat we, kijkend naar de sterren, vaak aan onze dierbaren denken? Omdat de zonnewind van overdag ons ook ‘s avonds in het sterrenstof laat zweven. Ook al zien we het niet.
Want ook als je het niet ziet, is het er altijd. Net als onze dierbaren. Soms zichtbaar, in het sterrenstof dat is meegenomen door de zonnewind. Dan weer onzichtbaar maar vanaf de dag dat we ze moesten missen, altijd aanwezig. In onze gedachten. In zonnewind en in sterrenstof. Altijd om ons heen. Meegedragen op de wind van de zon, even rustend op de maan en dan via de sterren neerdwarrelend op aarde, op een ieder van ons. En in elk sterrenstofje ligt een herinnering verborgen. Een herinnering aan hen die er niet meer zijn. Maar tegelijk overal aanwezig. Hier bij ons, op de plek waar we zijn. En misschien wel in een ruimtesonde, op 24 miljoen kilometer afstand van de zon.


Wekenlang een komen en gaan van kleurige pracht. Mooi in alle fases van ontwikkeling. Van stevig piepend en nog groen,
tot fragiel, bijna vervallen maar des te feller gekleurd.
Steeds als er weer een bloemblad wordt losgelaten, lijkt het alsof de tulp tegelijk iets verder doorbuigt, als wilde ze de grond kussen waar alles begon.
Met zorg en aandacht heeft Thea de tulpenbollen vóór de winter in de tuinaarde gepoot. Er is een koudeperiode nodig om de bollen onder de grond te laten ontkiemen. Eerst kou om in een latere fase de warmte op te kunnen zoeken. In de zomer, rond deze tijd, verlaten ze een voor een voorzichtig de duisternis van de aarde en gaan gericht op zoek naar de warmte van het licht. En daar zijn ze mooi, in elke fase van hun groei.
Ik schreef ooit dat wanneer mensen komen te overlijden, ik me kan voorstellen dat ze een nieuwe fase ingaan. Wat ik dan een troostrijke gedachte vind, is dat je als nabestaande de ziel van je dierbare in de dingen om je heen kunt zien. In een fladderende vlinder bijvoorbeeld, of een golvend voorbijvliegende groene specht in een schaduwrijk bos. Waarom zou een voltooid mensenleven dan niet geprojecteerd kunnen worden in de prachtige kleuren van een tulp.
De thema’s van deze herdenkingsdienst zijn niet voor niets ‘tulp’ en ‘nieuw leven’. Lucie heeft u daarover al verteld. En nu ik naar de vaas op tafel kijk,
zie ik het nog duidelijker. Elk felgekleurd vallend blad, elke buigende bloem, heeft woorden van troost in zich verborgen. Een hele tuin van tulpen is zo elk seizoen weer een stille symfonie van medeleven.
Elke tulp, eerst vriendelijk wuivend in de wind, wil straks gehoord worden als u ze in de vaas zet.
Terwijl haar leven zich naar het einde toe boog, gaf haar ziel nog meer kleur aan de dingen om ons heen.
zo gaf zij ons de levende herinnering aan wat altijd zal duren en overal kan zijn. In een fladderende gele vlinder. Of in een vliegende groene specht.
Maar zeker ook in een vallend tulpenblad. Want als een tulp al haar bloembladeren heeft laten vallen, dan zie je pas goed hoe mooi de kern eigenlijk is.
De kern waar toch weer leven in zit.



Haar as hebben we in cirkels om de kastanjebomen gestrooid. Eerst voorzichtig en zuinig maar later ruimer en vol overtuiging. De cirkels raakten elkaar en verbonden wat er over was met alles wat nog moest komen. Haar as legde op plaatsen een dun wit laagje over groene bladeren. Op andere plekken dwarrelde haar as tussen de bladeren door en raakte zacht de grond. De wind nam af en toe een klein wolkje van haar mee en liet het als minuscule witte vlindertjes door elkaar heen dwarrelen. Elk vlindertje kwam tenslotte neer op een plek waar het nog nooit was geweest maar voor altijd wilde blijven.


