Tromsö… anders

Nog twee dagen en dan vertrekken we naar Tromsö. Een studentenstad, boven in Noorwegen, waar onze Mees een half jaar lang studeert. Hij is daar vanaf januari en heeft al een paar keer het noorderlicht kunnen aanschouwen. Iets waarvan we uiteraard hopen dat we dat natuurfenomeen in onze vakantieperiode ook gaan zien. Dat kan blijkbaar nog in maart, als we geluk hebben.
IMG_4142
Ik schrijf de plaatsnaam Tromso op, en tegelijk zie ik over mijn laptopscherm mijn carnavalstrom staan. Nu pas valt me de overeenkomst op tussen ‘trom’ en ‘Tromsö’. Missschien komt dat omdat ik er nu al drie dagen vrij intensief op geslagen heb, terwijl het moment om te vertrekken naar Tromsö wel steeds dichterbij komt.

Gisteren kwam ik twee vrienden van Mees tegen in een bomvolle feestzaal bij ‘Liesbeth’. Na wat gepraat te hebben over o.a. Mees, kon ik achter hen aanlopen, om met mijn trom zo relatief gemakkelijk de andere kant van de zaal te bereiken. Een trom is leuk, maar in een volle zaal neem je toch al gauw een plek extra in, en die ene plek was er gisteren eigenlijk niet.

Het is maandagmiddag, dertig minuten voor de jeugdoptocht. Er van uitgaande dat die doorgaat, want het waait behoorlijk hard. Op het moment is het wel droog en zie ik zelfs wat zon tussen de wolken, maar hoe dat zometeen is? We zullen zien. Ik twijfel of ik vandaag wel zal gaan. Mijn vierde dag carnaval.

In de column van Frans Pollux, vanmorgen in de krant, las ik dat ‘vastenaovend eigenlijk niks voorstelt’, maar dat dat misschien wel juist de bedoeling is van carnaval. Een mooie constatering. Dingen doen die niets voorstellen, met als enige doel de dingen zelf. Dat relativeert enorm. Het zorgt ervoor dat ik eigenlijk niet zou moeten twijfelen of ik ook een vierde dag met de trom op pad ga…

En toch. Ik meen dat ik de kramp van vanochtend in mijn rechterkuit nog wat voel nazeuren. In mijn oren een ruisje, dat verdacht veel lijkt op het liedje ‘làtter en làtter’. Zou het niet verstandiger zijn, met het oog op Tromsö, om gewoon lekker thuis te blijven? Me op die manier voorbereiden op de komende ontmoeting met Mees en -als het meezit- het noorderlicht?

Wat zou Mees gedaan hebben? Nu ik daarover nadenk, weet ik bijna zeker dat hij het noorderlicht best wel even, voor een dagje of twee, zou willen verruilen voor het ‘licht van het zuiden’, dat nu bij ons schijnt. Dus laat ik op zijn minst zijn honneurs maar gaan waarnemen, nu dat kan. Ik ga me toch maar opmaken voor een laatste dagje ‘zuiderlicht’. Lieve mensen, dreumels en dreumelinnekes, ik kom er eraan. Geen twijfel mogelijk. Ik trom zo…

Mijn draai…

Ooit was er een schrijversclubje, dat publiceerde op de website schrijfbloq.nl. In 2011 werd ik daar lid van en heb toen elke twee weken een verhaal voor de site geschreven. Het clubje bestaat niet meer, maar de verhalen zijn er nog steeds..

Onder de titel ‘De draai van Geert’ waren dat 15 verhalen. Hieronder nog te lezen.

Draai 09 jan 2011
Draai 15 jan 2011
Draai 30 jan 2011
Draai 14 feb 2011
Draai 19 feb 2011
Draai 03 mrt 2011
Draai 31 mrt 2011
Draai 20 apr 2011
Draai 22 apr 2011
Draai 30 apr 2011
Draai 08 mei 2011
Draai 22 mei 2011
Draai 02 jun 2011
Draai 11 jun 2011
Draai 25 jun 2011

Carnavalszaterdag…

Twee dagen, vrijdag en zaterdag, gaan vooraf aan de drie dolle dagen. Vrijdag was gisteren en vandaag is het zaterdag 2 maart. Op het plein in Horst staan waarschijnlijk weer duizenden mensen in de buitenlucht het feest te vieren. Een feest, waaraan ik gisteren dus al een begin heb gemaakt. Van pakweg drie uur ‘s middags tot ongeveer half twaalf ‘s avonds. Niet slecht voor een start. Het houten bierglashouderplankje aan mijn trom, dat een jaar droog had gestaan, is gisteren weer rijkelijk van vocht voorzien.

Nu, zaterdagmiddag, zit ik in alle rust thuis en tik dit verhaal. De drie dolle dagen beginnen weliswaar pas morgen, maar ik verwacht dat ik vanavond toch ook al even ga pre-proeven. Bovendien is Pip vandaag jarig. Een ‘vastelaovend-walsje’ is dan een mooie manier om die mijlpaal te bekronen. Moet ik haar vanavond natuurlijk nog wel tegenkomen, maar dat is elk jaar nog gelukt, dus dat zal deze keer ook wel voor elkaar komen.

Al heel wat jaren vier ik carnaval als trommelaar. Ik probeer zo ritmisch mogelijk mee te slaan op de muziek die wordt gedraaid. Zo nu en dan meen ik om me heen te kunnen zien dat het ritme van de muziek op deze manier nog net wat opzwepender wordt. En ik merk dat zelf slaan op een trom voor veel anderen ook een aantrekkelijke bezigheid is. Ik laat dat dan ook steevast gebeuren en heb om die reden een tweede instrument bij me, waar ik op dat moment op een andere manier het ritme mee kan aangeven.
kokiriko
Ik heb het moeten opzoeken, maar dat instrument is van japanse komaf en heet een kokiriko. Je moet het met twee handen vasthouden zodat je met soepele golfbewegingen uit de pols van links naar rechts en viseversa een ratelgeluid kunt produceren. Het lijkt heel eenvoudig, maar mijn ervaring -ook gisteren weer- is dat het niet zomaar lukt, als je de kokiriko voor de eerste keer vasthoudt. Voor wie het de komende carnavalsdagen een keer wil proberen heb ik een instructiefilmpje gevonden op YouTube…

Als mijn trommelstokjes in de handen van iemand anders liggen en ikzelf de kokiriko laat klinken, dan ontstaat er ter plekke een kleine ritme-sectie, die vaak aanstekelijk werkt op de directe omgeving. Meestal zijn dat vrienden of vriendinnen van de ‘inval-trommelaar’ dus succes is bijna vanzelfsprekend. Net als leedvermaak trouwens, wanneer het trommelgeheugen van de trommelaar na heel veel jaren toch wat gaten blijkt te vertonen. En op de muziek mee trommelen is van een andere orde dan op de juiste manier een roffel produceren. Dat laatste kan ík dan weer niet.

Afijn. Gisteren met de trom dus de vuurdoop gehad. Stokjes en vel hebben elkaar regelmatig ontmoet gisteren en dat zal vanavond wel weer gebeuren. Met wat aandacht de juiste plek opzoeken, een pilsje bestellen dat ik na één slok kan wegzetten in de speciale houder die naast mijn woodblock aan de trom bevestigd is, en dan trommelen. Luisterend naar de muziek zodat ik op het eind van het nummer ook de laatste slag op mijn trom kan geven. Dat tegelijk eindigen is van belang. Dan lijkt het net alsof het trommelen er ook echt bijhoort. Mijn beloning is dan meestal een tweede slokje van mijn pilsje, dat tot die tijd geduldig in de houder heeft gehangen.

Die houten houder is ooit nog door de opa van Pip in zijn werkplaats rondgeschuurd en van de nodige gaten voorzien. Eén gat, met een diameter van een bierglas en één gat met een diameter, zo groot dat het plankje bevestigt kon worden aan de trommel. Die opa is al een aantal jaren niet meer onder ons maar elk jaar moet ik even aan hem denken als ik mijn eerste bierglas in zijn houder zet. Of aan die houder mijn trom vasthoudt als ik ze los wil koppelen. Ook vanavond zal dat gebeuren. Als ik mijn trom even losmaak en wegzet om met opa’s kleindochter -mijn jarige dochter- een walsje te dansen.

En mocht ik haar, totaal onverhoopt en geheel onwaarschijnlijk, niet tegenkomen, dan bij deze alvast de hartelijke felicitaties en een zoen, live vanuit de studio van omroep Reindonk.

 

Vallei van God…

val dieu 01
Val Dieu, oftewel ‘Vallei van God’

Ik zie haar zacht met een doekje het gezicht van een mevrouw in een rolstoel schoonvegen. Even daarvoor zag ik dat ze haar wat te drinken had gegeven. Terwijl ik een volgend liedje uit mijn buikorgel laat klinken, voorziet ze ook de andere bewoners van de besloten seniorenwoongroep in Hof te Berkel van koffie en wat lekkers. Ik ben gevraagd om een uurtje muziek te komen maken. En daar sta ik dan, te draaien en te zingen, terwijl ik één voor een naar de reacties op de gezichten kijk.

Aan de grote familietafel zaten ze al klaar, toen ik binnenkwam. Het was rond koffietijd. Twee jonge meiden, waarvan ik in eerste instantie dacht dat het mogelijk stagiaires waren, bleken op bezoek bij een van de bewoners. Waarschijnlijk de opa van in ieder geval één van hen. Ze waren nieuwsgierig naar de klank van mijn buikorgel, dat ik zojuist uit de houten beschermkast op wandelwagenwielen had gehaald.

Eén nummer beluisterden ze en ik zag ze kijken naar de geboeide reactie van opa. Bijna verbaasd hoorden en zagen ze een aantal van de andere bewoners meezingen. Altijd mooi om te zien, telkens weer, hoe muziek bij de meesten even wat losmaakt. Momenten van herkenning teweeg brengt. Zeker bij degenen, waarvan ik inschat dat de vervagende uitwerking van Alzheimer meer en meer vat krijgt op hun functioneren.

De meiden leken de lach op opa’s gezicht te kunnen waarderen. Het was bovendien een mooi en ‘natuurlijk’ moment om afscheid van hem te nemen. Zijn aandacht was nu toch gericht op de muziek en zij hadden op deze mooie maandagmiddag nog andere plannen. Vriendelijk zwaaiend naar opa, en bij de deur ook nog even naar mij, vertrokken ze, terwijl ik het volgende liedje al door de gezamenlijke woonkamer liet klinken.

Iets meer dan drie kwartier heb ik zo in totaal gespeeld. Gedurende die tijd kijk ik voortdurend naar mijn publiek van dat moment. Bij sommigen is duidelijk te zien dat ze de muziek op prijs stellen. Anderen zijn moeilijker te peilen en er zijn er ook bij waarvan ik als leek helemaal geen indruk heb of ze überhaubt iets meekrijgen van dit tijdelijke vertier. De mevrouw die eerder zacht haar gezicht schoongemaakt kreeg, viel voor mij ook in die categorie. Haar ogen waren voortdurend gesloten, terwijl ze stil in haar rolstoel zat.

Na mijn afsluitende nummer word ik verrast door een bedankje in de vorm van een doos met een zestal heerlijke speciaalbiertjes. Een hele fijne geste, die hogelijk gewaardeerd wordt. Sterker nog, op dit moment, terwijl ik mijn ervaring van vanmiddag op papier zet, geniet ik van één van die zes. Een ‘Val Dieu’. 10,5 %, en met liefde gebrouwen, lees ik, door de monniken van de cisterciënzerabdij van Val-Dieu, oftewel de ‘vallei van God’ in België. En zo smaakt het ook.

Maar er is nóg een reden, waarom ik mijn ervaring van vanmiddag op papier wil zetten. Want terwijl ik mijn buikorgel aan het inpakken ben, vertelt de verpleegkundige mij iets dat me ontroert. Het ging over de mevrouw, waarvan ik dacht dat haar gezicht zachtjes werd schoongeveegd omdat er misschien even daarvoor met drinken was geknoeid. Maar dat bleek niet het geval. Terwijl ik aan het zingen was, had ze gezien dat er tranen over de wangen van mevrouw biggelden. Mevrouw was blijkbaar echt ontroerd. Spontaan had ze toen zacht de tranen van haar wangen geveegd. Zo lief dat ze dat deed. En zo lief dat ze dat deelde…

Ik nip nog een keer aan mijn ‘Val Dieu’ en zie de metafoor. Als je ‘vallei van God’ niet al te letterlijk neemt, dan zou het elke plek kunnen zijn waar liefde is. Een plek die dus overal zou kunnen zijn. In Hof te Berkel bijvoorbeeld. En dan is een verpleegkundige die zachtjes tranen wegveegt bij een mevrouw die dat zelf niet meer kan, iemand die wat mij betreft op zo’n plek is. Hoe mooi. Het ontroert me terwijl ik het opschrijf. Ik wil het heel graag delen, omdat zoveel respect en liefde gewoon woorden verdient. Juist in het dal van het leven. Juist daar… waar meestal geen woorden zijn. Maar waar wel tranen worden gezien en zachtjes worden weggeveegd. Daar. Val Dieu…

val dieu 02

Haop

Haop…

Un grieze wolk doowt loomp,
de zôn waat oet ut zicht.
Inens en bitje kalder,
en ok waat minder licht.

Wie zuij ut winne, wolk of zôn?
Ge zit de wolk waat wieke.
Ma aas de zon giet winne,
da kunde ni mier kieke.

Daas raar, want juus die zôn,
die zudde wille zi.
Gelukkig vulde waal de wermt,
ma de zon die zidde ni.

De wermte vaan de zôn,
mákt grieze wolke witter.
Ok aas ge ut soms ni miër zit,
daan bliekt: die kracht die zit ter…

Opgenomen door de lokale radio Reindonk en uitgezonden op zaterdag 23 februari, tijdens het programma ‘Wekkerradio’. In dialekt uitgesproken, maar voor hen die dat niet machtig zijn, volgt hieronder ook de versie in het ABN.

In de KLOS-ton

Hoop

Een grijze wolk duwt lomp,
de zon wat uit het zicht.
Ineens een beetje kouder,
en ook wat minder licht.

Wie zou het winnen, wolk of zon?
Je ziet de wolk wat wijken.
Maar als de zon gaat winnen,
dan kun je niet meer kijken.

Dat is raar, want juist die zon,
die zou je willen zien.
Gelukkig voel je wel de warmte,
maar de zon, die zie je niet.

De warmte van de zon,
maakt grijze wolken witter.
Ook als je het soms niet meer ziet,
dan blijkt: die kracht die zit er…

Clara

De uitvaartdienst was plechtig. Latijnse gezangen vulden de Lambertuskerk. Helder wit zonlicht werd kleurrijk gebroken door het gebrandschilderde glas. Het gaf de vele bloemen bij haar kist nog meer kleur. ‘Clara hield van bloemen’ was de laatste zin in de rouwadvertentie en dat hadden veel mensen zich ter harte genomen. De zon speelde met de kleuren. Rood werd nog wat warmer en het groen nog wat feller.

Herinneringen werden voorgelezen. Paul, haar zoon, en Tim, haar man, vertelden over Claar. Over hoe sterk ze was ondanks haar twijfel en over hoe ze elkaar tot steun waren. Over het afscheid, dat wat haar betrof eigenlijk geen afscheid had moeten zijn. Ze was er nog niet klaar voor. Had nog zoveel plannen. Ook dat kwam naar voren, uit de woorden die werden gesproken. Het waren namelijk veelal de woorden van Claar zelf. Het was alsof ze ons allemaal nog een laatste keer van hele goede adviezen wilde voorzien.

clara prentje
De foto op het gedachtenisprentje van Claar van Lieshout

‘Weet je wat het is:’… Daar begon haar gedachtenisprentje mee. Ik herkende de zin en het korte verhaal dat volgde, omdat haar man Tim die woorden bij aanvang van de dienst met ons gedeeld had. Hij had Claar zo al laten spreken. Toen ik haar woorden terug las, hoorde ik haar als het ware zelf vertellen. Wijs. Belezen. Ze vertelde over haar herinneringen, haar twee kinderen, ja, eigenlijk over haar leven in al zijn facetten. Beschouwend, kernachtig maar vooral ook verdrietig omdat de rauwe werkelijkheid op het laatst de kleuren zo grauw gemaakt had.

En toch. Ondanks de pijn en het verdriet lees ik ook haar zin: ‘Ik kan er met vreugde op terugkijken’. Ik hoor haar dochter Evelyn in het slotwoord zeggen, dat ze tot op het laatst de hand van Claar heeft vastgehouden. Ze voelde dezelfde onzekerheid die ook Claar had gevoeld over wat het betekent om los te moeten laten. En toch, vertelde Evelyn, heeft ze haar moeder toegefluisterd dát ze los mocht laten. Puur en alleen omdat ze los móest laten. Maar wetende dat wat er geschreven is en wat er herinnerd wordt op den duur weer alles zal verbinden.

Ik ben de kerk uitgelopen aan de kant van de Bruna. Dat tweede huis van Claar, waar ze haar ziel en zaligheid in had gestopt. Waar Vera werkte, die gedurende het ziekteproces van Claar, zo vaak lief en leed met Claar had gedeeld. Het personeel van die boekhandel is met Claar en haar familie in de rouwstoet mee gewandeld naar het kerkhof, samen met vrienden en bekenden. Onder een helderblauwe lucht en stralende zon.

Bruna, bij de Lambertuskerk
…de kerk uitgewandeld, langs de Bruna

‘Weet je wat het is: ‘… Dat schreef Claar op 11 december 2018. Vanochtend maakte zij me deelgenoot van haar verhaal, via Tim, Paul en Evelyn. Een verhaal dat op deze dag lijkt te worden afgesloten, maar dat in zekere zin juist nu een vervolg krijgt. Een stukje van dat nieuwe hoofdstuk proef ik in het kopje thee op het terras. Ik zie het verhaal in de mensen die voorbij wandelen. Ik voel het in de warmte van de zon. En ik voel en hoor het als Pip me een arm geeft en we samen pratend weer langs de Bruna lopen. Alles is even één. Omdat het vanochtend door Clara zo helder is verteld. Via Tim, Paul en Evelyn.

Dus voor hen. En voor allen die Claar hebben gekend. Met dank.

boekpresentatie Bruna
Mede dankzij Claar mochten Egbert Derix en ik een paar jaar geleden onze boeken presenteren bij Bruna Horst. Een mooie, muzikale en literaire happening.

Bladzijde 94…

Yes! Het is weer gelukt. Mijn Bose SoundLink Mini is via bluetooth verbonden met mijn laptop. De muziek klinkt toch mooier dan door de speakertjes van de laptop zelf. Ik voel de bas via de tafel mijn onderarmen instromen. Via Spotify zingt Anouk ‘Wen d’r maar aan’. Ik had ook haar CD op kunnen zetten, maar zo, zittend aan de tafel bij mijn laptop, met het zojuist tot klinken gebrachte Bose-boxje links van me, geeft me dat een meer voldaan gevoel. Naar de muziekinstallatie lopen kan altijd nog…

De inleiding hierboven staat compleet los van wat nog gaat volgen. Tenminste, dat denk ik. Nog geen kwartier geleden zat ik lui op de bank naar een uitzending van ‘Ridiculousness’ te kijken. Daarna nog wat snooker op Eurosport. In de rust van vier keer rood en drie keer zwart, ontstond het idee om wat op papier te gaan zetten. En even doordenkend over een onderwerp, bedacht ik om een willekeurige bladzijde uit een willekeurig boek open te slaan en van daaruit te gaan verwoorden wat er in me opkomt. Je moet toch wat op je vrije zaterdagavond, als je alleen thuis bent.

filosofen van deze tijd
Een groen Grolschje in een Hertog Jan glas. Moet kunnen.

Het wordt ‘Filosofen van deze tijd’. Een boek dat al even in m’n bezit is, maar dat ik nog nooit helemaal uitgelezen heb. Het groene papiertje dat er uitsteekt laat zien dat ik op ongeveer twee derde gebleven ben. Afijn, maakt niet uit. Het wordt een pagina uit dit boek. De bladzijde die ik kies, laat ik afhangen van…. een willekeurig sommetje. Vierde nummer van Anouk d’r CD, vermenigvuldigt met de datum van vandaag, 9 februari, plus mijn leeftijd, brengt me op het getal 94. Benieuwd wat daar zo gaat verschijnen…

blz 94
Tweede alinea, middenin. Die zin triggert me…

Het is het hoofdstuk over Theodor W. Adorno. Het valt in het twee-derde deel dat ik al gelezen heb, maar dat blijkt toch te lang geleden. Even teruglezen. De schrijver van het hoofdstuk is Jan Hoogland. In zijn korte inleiding lees ik dat Adorno een filosoof is die in de huidige tijd steeds onbekender wordt. In de jaren zestig van de vorige eeuw genoot hij een enorme populariteit en drukte hij een stempel op zijn tijd. Zo is zijn filosofische werk ook te bezien; als een tijdsdocument. Adorno’s filosofische productie begon vóór de Tweede wereldoorlog en zijn roem lag in de zestiger jaren. De gebeurtenissen in die tijdspanne komen tot uitdrukking in zijn werk. Met name ten aanzien van ‘bewustwording’ en de verwerking van de Holocaust.

Tot zover de inleiding. Dan terug naar mijn voornemen. Bladzijde 94. Het voert te ver om die hele bladzijde te ‘analyseren’. Ik wil me laten inspireren door één of twee zinnen daaruit. En die dan interpreteren naar eigen goeddunken. Vrije vertaling, zeg maar, bij gebrek aan kennis van de complete theorie van Adorno. De zinnen die me triggeren zijn deze: …(Adorno doelt) hier op zulk denken dat vergeet dat het identificeren van een zaak met behulp van begrippen een reductie impliceert. Deze reductie is niet te voorkomen, maar wel kan voorkomen worden dat deze reductie vergeten wordt en dat daarmee het begripsmatige identificeren voor de werkelijkheid zelf gehouden wordt.

De zinnen doen me terugdenken aan een gesprek dat ik gisteren had op mijn werk. Het ging onder andere over de systematiek van ‘kerncompetenties’, ‘accountability’, ‘strategie’, ‘structuur’ en ‘cultuur’. En over ‘vakmanschap & meesterschap’. Onlangs nog een planningsgesprek en een resultaatgesprek gehad op het werk, waar deze termen ook min of meer aan de orde waren. Het zat blijkbaar nog vers in mijn geheugen, omdat de zin over Adorno het volgende in me opriep. Voor de duidelijkheid hak ik het in stukjes.

  • ‘Zulk denken dat vergeet’ = een manier van denken die tekortkomingen kent
  • ‘Identificeren van een zaak met behulp van begrippen’ = Het werk beschrijven aan de hand van competenties
  • ‘Een reductie impliceert’ = het schiet per definitie tekort
  • ‘Voorkomen dat deze reductie vergeten wordt…’ = bewust blijven van de beperking die het met zich meebrengt…
  • ‘…en dat begripsmatig identificeren voor de werkelijkheid zelf gehouden wordt’ = …het beschrijven aan de hand van competenties van het dagelijks werk, kon wel eens niet overeenkomen met de praktijk.

Zoals gezegd, een hele vrije vertaling, die verder niets met het werk van Adorno zelf te maken heeft. Maar het voelt fijn om er op deze manier even gebruik van te maken. Uit het Bose-boxje zingt op dit moment Ramses Shaffy ‘Ik ben misschien te laat geboren’. En even later klinkt ‘Laat me m’n eigen gang maar gaan’.

 

nog een Grolsch
Proost!

Het is net twee minuten zondag. Ik neem nog één groen Grolschje en ga dit verhaal posten. Met dank aan Adorno, aan Anouk, aan Ramses, mijn laptopje en mijn Bose-boxje. ‘Laat me, ik heb het altijd zo gedaan’ voelt voor dit moment best lekker!

Noot: Successen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst. Nu zingt ‘De Dijk’ iets over ‘teveel woorden, teveel zinnen voor een mens alleen’… Ach ja. Zo meteen mag het licht uit…

Gate B53…

Al een paar dagen sluimerde het. Maar pas bij gate B53 op het vliegveld in Düsseldorf manifesteerde het zich echt. Het gevoel overviel me. Mijn omhelzing van hem ter afscheid was de opmaat. De opwellende tranen bij hem en zijn moeder deden de rest. Wat goed was, voelde toch even intens verdrietig. Een half jaar lang zou hij duizenden kilometers ver weg zijn. Het gevoel van gemis, ondanks de tijdelijkheid van het afscheid, woog veel zwaarder dan van te voren gedacht.

De op handen zijnde uitwisseling vanuit zijn studie biologie naar Noorwegen, met ‘uitstapjes’ naar Groenland en naar de Lofoten eilanden, hadden zijn avonturiersdrift al heel vroeg aangewakkerd. En wij juichten dat toe, al die tijd dat hij karaktervol nonchalant zich daarop voorbereidde. In de laatste dagen voor het vertrek had hij nog een hele agenda af te werken van feestjes, filmbezoek met vrienden en andere fijne bezigheden. Maar het moment kwam wel steeds dichterbij.

En daar, die ochtend bij gate B53, was het afscheid er in volle hevigheid. Op het ene moment stond hij nog in de wereld die van ons samen was, en op het andere moment opende zijn ticket eenmalig het hekje en stond hij aan de andere kant, in zijn nieuwe wereld. Daar waar wij op datzelfde moment niet meer konden komen. Zwaaien kon nog wel -en dat deden we dan ook- maar dat verzachtte de pijn van het afscheid niet. Het voelde alsof je een deel van je eigen leven uit zwaaide. Dat gevoel, verstandelijk gemixt met de blijdschap voor het avontuur dat hij aan wilde gaan.

In de auto op de terugweg spraken we erover. Het dubbele gevoel bij dat afscheid. Het had nog iets onwerkelijks. Iets waarvan je wist dat het waar was, maar wat je nog even niet kon geloven. Een soort van ontkenning, als in de eerste fase van een rouwproces. We relativeerden dat ook weer meteen, maar dat we allebei een beetje van ons stuk waren, konden we niet ontkennen. Een half jaar, dat was toch best wel lang. Ook al zouden we elkaar diezelfde avond, als hij in Noorwegen zijn wifi op gang had gekregen, alweer spreken of zelfs digitaal terugzien.

En zo liep het ook. Een paar uur later dan verwacht, omdat sneeuwkettingen voor kofferwieltjes bij mijn weten nog niet zijn uitgevonden, maar zeker ook omdat ‘huisnummer 11’ ook in Noorwegen niet gelijkstaat aan ‘kamer nr. 11 van huisnummer 33’. En voordat je daar achter bent, heb je toch een aantal keren de juiste straat moeten doorkruisen. Maar uiteindelijk deelde hij op 2959 km afstand zijn eerste ervaringen met ons. En met zijn zus, die de Whatsapp videogroeps-chat had geopend.

De volgende dag moest ik terugdenken aan die momenten bij de gate. Wat was het precies dat gezorgd had voor dat trieste gevoel dat ik ervaren had. Het vertrek uiteraard was de begrijpelijke aanleiding, maar er was meer. Het zat dieper. Of tenminste, ik meende dat het dieper zat en ik voelde een behoefte om dat voor mezelf te duiden. Omdat we het in de auto al over een ‘rouw-gevoel’ hadden, kwam door-associërend vrij snel de zin ‘Partir, c’est mourir un peu’ bovendrijven.

Internet is niet alleen handig voor een digitale groeps-chat. Ook franse dichters worden er snel mee gevonden. ‘Partir c’est mourir un peu’ blijkt de eerste zin van een prachtig gedicht van Edmont Haraucourt, die leefde van 1857 tot 1941. De eerste strofe gaat als volgt: Partir c’est mourir un peu, / C’est mourir à ce que l’on aime: / On laisse un peu de soi-même / En toute heure et dans tout lieu. Vrij vertaald staat dat voor: Vertrekken is een beetje sterven, / het is sterven aan wat men liefheeft / Men verliest een beetje van zichzelf / in ieder uur en op elke plek.

Een afscheid voor een half jaar is geen definitief afscheid. Gelukkig. Maar tijd is een heel relatief begrip. Laat de tijdelijkheid even achterwege en je houdt enkel afscheid over. Het afscheid aan gate B53 zou je zo ‘een beetje vertrekken’ kunnen noemen. ‘Partir un peu’. Zou het zo kunnen zijn, vraag ik me af, dat de tranen die dat al opriep mogelijk de ‘oefen-emoties’ zijn voor dat ene moment van afscheid straks? Dat ene moment -hopelijk pas over heel veel jaren- dat onherroepelijk een keer gaat komen? Dat moment waar we zo moeilijk over spreken en waar we liever niet aan denken, omdat het gaat over ‘doodgaan aan wat je liefhebt’. Afscheid van het leven.

Tranen dus. Maar zeker ook blijdschap, hoe vreemd dat misschien ook klinkt. Want als je vertrekt, dan ‘verlies je een beetje van jezelf’. Of, als ik een andere vertaling citeer: ‘We laten een beetje van onszelf achter’. Dat is voor hen die blijven. Je laat iets van jezelf achter, als je vertrekt, op welk uur en vanaf welke plek dan ook. Het gemis wordt daardoor verzacht. Voor een deel door de tijd maar voorál door wat je achterlaat. De tranen van verdriet, bij welk afscheid dan ook, zijn tegelijk tranen van geluk en dankbaarheid voor wat er is achtergelaten.

Je moet er soms wel even naar zoeken, naar wat er is achtergelaten. Maar het is er. Op elk tijdstip en overal. Op dit moment in Noorwegen en bovendien een paar straten verderop in mijn eigen dorp. En over een half jaar weer even allemaal hier bijeen. Maar voor véél later? Ach, wie weet, straks blijkt God ook gewoon Whatsapp te hebben…

Op 2 februari 2019 heb ik deze column live voorgedragen in het radioprogramma ‘Wiekentpraot’, voorafgegaan door de prachtige vertolking van Margriet Sjoerdsma en Egbert Derix van ‘First we take Manhattan’ en afgesloten met ‘We’ van Neil Diamond. Toepasselijk in velerlei opzicht.

Van harte…

Haar naam staat op de kalender. Vandaag zou mijn zus 63 jaar zijn geworden. Op 13 mei van dit jaar is het precies drie jaar geleden, dat we afscheid van haar moesten nemen. 13 mei 2016. Toen blies ze haar laatste adem uit. Ik zat naast haar bed, maar of ze dat heeft meegekregen, waag ik te betwijfelen. Doet er ook niet zo veel toe. Haar naam op de kalender maakt herinneringen los. Bij haar crematie heb ik een verhaal voorgelezen, dat haar en onze situatie -haar broers en zussen- beschrijft in het licht van dat moment. Dat verhaal maakt opnieuw de emoties voelbaar van die dagen in mei en van al die jaren die er aan vooraf gingen.

Twee zinnen, die voor Trudy zó wezenlijk waren dat ze die jarenlang bewaard heeft, staan wat mij betreft nog steeds bol van de symboliek in haar en ons leven. Het was een citaat van Maria Montessori uit 1929:

‘Het verheven wezen van het kind heeft ons geholpen om een der waarheden van het evangelie, die ons duister was gebleven, te begrijpen. Wie groot wil zijn in het koninkrijk der hemelen, die worde gelijk aan de kinderen.’

Omdat ze vandaag jarig zou zijn geweest, deel ik dit verhaal (klik hier) uit als een uitgesteld cadeautje van haar aan ons allemaal. Van harte. Pak maar, er is genoeg…

drie kaartjes3

Zoeken…

Zoeken en niet vinden
Kijken en niet zien
Het is er, maar
je vindt het niet
Mentale mist
Als rookgordijn

Stel nou
dat je gevonden wórdt
Door het simpelweg daar zijn
waar toekomst enkel heden is
Waar zon in plaats van nevel is
Van ooit geleden pijn

Zoeken wat je steeds niet vindt
En alsmaar niet kunt zien
Het is er maar je vindt het niet
Omdat je zoekt misschien…

stefano-pollio-365695-unsplash
Stefano Pollio