Het was nationaal te doen. Zaterdag 21 maart werd er opgeruimd in Nederland. En dus ook in Horst aan de Maas. Groepen mensen in gele hesjes gingen met knijpers en afvalzakken hun wijk of buurt in, om op te ruimen wat andere mensen in hun wijk of buurt aan rotzooi hadden achtergelaten. Rond Landgoed de Gortmeule, op Veld-Oostenrijk, kwam ik zo’n groep tegen. Opruimers bedoel ik. Of ik er een stukje over wilde schrijven, werd me door hen gevraagd. Uiteraard!
Ik maakte wat foto’s en vervolgde mijn eigen wandeling. Onderweg dacht ik na over de insteek van het stukje. Drie dagen geleden, woensdag 18 maart, vond er namelijk al een andere landelijke activiteit plaats. Ook in Horst aan de Maas. Zou het leuk zijn om die twee gebeurtenissen te combineren, vroeg ik me wandelend af. En zodoende.
De gemeenteraadsverkiezingen. Zou het toeval zijn dat er dan drie dagen later een landelijke opschoonactie plaatsvindt? Ik bedoel, omdat er over het hele land gezien blijkbaar weer rechtser gestemd is. Ook in Horst aan de Maas. Volgens de lijsttrekker van de partij die na woensdag de grootste werd, is dat het geval. In het duidingsdebat, een dag later, sprak hij dat uit. En ik las het daarna op zijn facebookpagina: ‘⅔ koos rechts/midden, ⅓ koos links’. Hij noemde onder andere de winst (van 2 naar 3 zetels) bij BVH en de VVD. In datzelfde duidingsdebat onderstreepte de lijsttrekker van BVH die constatering van de winnaar met een niet te verbergen enthousiasme.
Maar dit stukje zou over afval gaan. Over mensen die afval weggooien en over mensen die dat dan weer opruimen. Landelijke Opschoondagen zijn er jaarlijks twee, werd mij zaterdag verteld. Maar ik weet dat er door het jaar heen ook heel veel mensen in Horst aan de Maas dagelijks door hun wijk lopen, in een geel hesje, met een knijper en een afvalzak. Ze noemen zich Mooimakers. Ze ruimen bijna dagelijks zwerfafval op, omdat er ook bijna dagelijks afval achteloos wordt weggegooid.
Maar goed, de landelijke Opschoondag en de landelijke gemeenteraadsverkiezingen. Zijn er meer overeenkomsten? Ik zag in de weken vóór woensdag 18 maart vaak groepen mensen in gekleurde hesjes lopen. Rood, groen, oranje om maar wat kleuren te noemen. Politiek gedreven groepen mensen, die hun politieke voorkeur in clubkleuren lieten zien en hun politieke meningen lieten horen aan medebewoners. Aan ‘kleurloze’ inwoners die misschien even later de in hun handen gedrukte flyers achteloos op straat hebben laten vallen.
Ik kan wel zeggen dat ik over het algemeen respect heb voor alle mensen in gekleurde hesjes. Maakt niet uit of het in gele, rode, blauwe, groene of oranje hesjes is. Ze laten allemaal een betrokkenheid zien bij wat er in wijken, buurten, dorpen, ja zelfs in het hele land omgaat. Dat die betrokkenheid bij een bepaalde kleur hesje zich dan beperkt tot dorps- of landsgrenzen is dan wel weer jammer. Zeker als ze bepaalde groepen per definitie anders willen behandelen dan ‘eigen’ groepen. En erg genoeg, ook veel mensen zónder een gekleurd hesje zitten blijkbaar op die lijn. Zoals er ook mensen zijn, die achteloos hun rotzooi overal achterlaten.
Over beide fenomenen kan ik me soms best wel wat zorgen maken. Maar het zijn met name de gele hesjes, die me dan weer wat vertrouwen geven. Afgelopen zaterdag nog. En vooral de gele hesjes door het hele jaar heen. Nu de anders gekleurde hesjes nog, die maar een week of drie zichtbaar waren…
Voor Yvonne, Ger, Marjos, Martin en anderen, in gele hesjes
Op de laatste dag voor de verkiezingen staan ze er. Op de dinsdagmarkt. Hun laatste flyers uit te delen. Bij de Lambertuskerk heb ik er al twee in mijn handen gedrukt gekregen. De eerste, door iemand van Essentie, die met name zijn eigen plek op de kieslijst er mee onder de aandacht brengt, maar waarop ook kort beschreven staat hoe zijn partij bij zijn visie aansluit. En de tweede flyer is van Leef. Met aan de ene kant hun hele kieslijst van 50 personen in het klein afgebeeld en aan de andere kant twaalf punten uit hun partijprogramma.Â
Als ik niet meteen bij Gember naar binnen was gelopen, had ik ook nog de SP-flyer moeten aannemen. Wat ik trouwens in alle vriendelijkheid ook wel gedaan zou hebben. Ik hoor dat bij het gemeentehuis het BVH-campagneteam staat. Omdat ik naar Gember ging, hoefde ik daar niet aan voorbij. Maar hoe dan ook, dan hebben we in korte tijd al vier van de zeven partijen gehad en ik vermoed dat de overige drie ook wel ergens op de markt hebben gestaan.
Ik heb een paar dagen geleden het verkiezingsdebat op Omroep Horst aan de Maas teruggekeken. En ik heb daarna nog een drietal interviews met lijsttrekkers teruggeluisterd. Niet alle zeven, maar alleen die waar ik nieuwsgierig naar was. Want ik weet al op wie ik ga stemmen. En op wie zeker niet. Maar wat me na het debat en de interviews bezighoudt, is hoe die zeven lijsttrekkers met hun achterban, álle zeven op onderdelen vinden dat alleen zij daarvan lijken te weten wat goed is voor Horst aan de Maas.
Respect voor al die campagneteams en voor het werk dat ze de afgelopen weken hebben verzet. Nu ook weer op de markt. Want als ik zie hoeveel marktgangers angstvallig de andere kant op kijken als een enthousiast partijlid hun kant op komt lopen, dan moet dat flyeren toch ook wel soms ontmoedigend zijn. Ondankbaar soms, als je merkt dat de grote meerderheid van de inwoners helemaal niet betrokken lijkt bij wat er zich de afgelopen vier jaar in de gemeentepolitiek heeft afgespeeld en waarschijnlijk ook niet geïnteresseerd is in wat er de komende vier jaar gaat gebeuren.Â
Maar waar ik wel een beetje bang voor ben, dat is dat die apathie onder onze inwoners vooral die partijen in de kaart speelt, die hun huidige campagne met name baseren op wat er in hun ogen fout ging in de jaren hiervoor. Die partijen in de kaart speelt, die ‘vergeten’ wat goed ging, omdat dat hen in deze campagne beter uitkomt. Die beschuldigend naar de ander wijzen en vervolgens pretenderen dat alleen zij de mening van álle inwoners vertolken, met als enige argument dat alleen zij ‘naast de mensen’ staan. Terwijl ik vanmorgen op de markt eens te meer ervaren heb, dat álle partijen heel dicht bij en naast de inwoners staan.Â
Afijn, we zullen woensdagavond 18 maart zien hoe die ‘nabijheid’ van de afgelopen weken uitpakt voor de toekomst. Als het opkomstpercentage weer rond de 50% ligt, dan is welke uitkomst dan ook, voor de helft van onze inwoners geen enkel probleem…
Ik heb het gedicht ‘Germa en Fred’ voorgelezen, zoals ik Germa beloofd had. Voorgelezen op vrijdagavond 6 februari 2026, tijdens de presentatie van carnavalskrant de Klos. Het gedicht schreef ik op 7 december 2025 voor haar, met het voornemen om het in de Klos te laten publiceren. Dat voornemen en het gedicht heb ik haar geappt. Bijna per kerende post kreeg ik een appje terug, dat me ontroerde: ‘Geert, het is prachtig! Ik ben je zo dankbaar, zo ben ik er toch nog een beetje bij..’. Fred, haar partner, stuurde me een filmpje waarin Germa het gedicht zelf voorlas aan haar vriendin Laura. Ook bij het bekijken van dat filmpje voelde ik weer tranen prikken..
‘Dan ben ik er toch een beetje bij’.. Germa bedoelde de komende carnaval, waarvan ze wist dat ze dat feest niet meer zou halen. De eerste chemokuur om haar maagkanker en uitzaaiingen te bedwingen had niet het gewenste effect opgeleverd. Integendeel, ze was er eigenlijk alleen maar zieker van geworden. Toen de artsen een tweede chemokuur voorstelden, die enkel levensverlengend zou kunnen zijn, besloot Germa voor kwaliteit van leven te gaan inplaats voor kwantiteit.
Vanaf dat moment pakte Germa de regie op de tijd die haar nog restte. Ze legde contact met Bob Noten Uitvaartverzorging en maakte afspraken met haar huisarts. Ik sprak Germa en Fred voor het eerst op 2 december vorig jaar, nadat Astrid van Rens, medewerker van Bob Noten, mij daarvoor benaderd had. ‘Ze kent jou’, had Astrid gezegd, ‘van het trommelen met carnaval’. Mijn vermoeden om wie het zou gaan werd bevestigd, toen ik Germa zag. Elke carnaval was er wel een moment dat we elkaar tegenkwamen. Zij kwam dan steevast vragen of ze even mocht trommelen. Vorige carnaval bleek de laatste keer te zijn geweest.
Germa had haar afscheidsdienst op papier al helemaal uitgewerkt. Haar levensverhaal had ze op twee manieren uitgeschreven. Puntsgewijs en als een lopend verhaal. De foto’s die ze graag getoond wilde hebben bij haar afscheid had ze al uitgezocht. De muziek die ze mooi vond, stond op een memorystick. Ze vertelde over haar wensen, staande en af en toe lopend, zichzelf enigszins ondersteunend aan een verrijdbare morfinestandaard. In overleg met Fred en haar huisarts werd een definitieve datum bepaald, waarop Germa haar lijden beëindigd wilde zien. Omdat ze geen afscheid wilde nemen op de verjaardag van Fred werd die datum over een weekend heen getild. Maar of ze die datum zou gaan halen, was nog maar de vraag. Germa leek het antwoord te kennen. Zij had de regie.
Ik ben diezelfde avond aan de slag gegaan, wetende dat haar gezondheid heel broos was. Ik wist ook dat ze nog wel heel graag de complete inhoud van haar afscheidsdienst zelf wilde kennen. Allereerst zette ik de door haar uitgekozen foto’s samen met haar muziek in een vijftal presentaties. Een dag later hebben we die samen bekeken. Als je zelf de foto’s van je leven op muziek voorbij ziet komen, dan is dat een diep emotionele ervaring. Foto’s van haar kindertijd, met haar vriendinnen, de momenten met Fred en zijn kinderen. De foto’s van carnaval. We spraken daar samen nog over. Die zaterdagavond schreef ik een gedicht, dat ik weer een dag later met haar en Fred kon delen. Het gedicht dat haar afscheidsdienst op 15 december 2025 zou besluiten…
Germa,
natuurlijk ging het veel te vlug, maar misschien kijk je nu wel met ons mee
en heb je je ouders daar teruggezien vloog je met hen al over zee
hoe is het daar waar je nu bent? is carnaval er ook bekend?
stel dat je daar ook trommels ziet waarop je hemels los kunt gaan
ja dan, zal ons verdriet van nu straks zeker ook weer overgaan…
Ze was er blij mee, schreef Germa. Het gaf troost, zei Fred. En het is altijd fijn wanneer zo’n afsluitend gedicht, gebaseerd op het verhaal van degenen waarvoor het geschreven is, ook resoneert bij de betrokkenen.
Maar Germa’s situatie liet me niet los. Diezelfde dag schreef ik een tweede gedicht over onze carnavals- en trommelontmoetingen. Dat gedicht heb ik vrijdag 6 februari, aan het begin van de Klospresentatie voorgelezen voor een 500-tal aanwezigen. Zoals ik haar en Fred had beloofd. En wie weet, was Germa er inderdaad ook een beetje bij. In ieder geval in gedachten.
Germa en Fred…
ik heb mien tróm ál bes wát jaor en heb dur hiël veul óp gehouwd en aalt, ás ik dán urges waor, dá vulde dát ál gauw vertrouwd
zütjes beginne, ni te hárt en bitje spienze, niemus kwaod? dá langzaam vlotter, volle vaart geconcentreerd en in de maot
hiël duk zaog ik eur ál vá wiet dá waas ut áltied vaste prik ur stilzwiegend ‘leuk dát ge dur ziet’ má in eur oege stoong: móg ik?
ze lüsterde iërs vur ze begós en sloog dá langzaam ritmies mei en hürde ze dát ut sneller mós dá goof ze ‘t tempo ennen drei
helaas môs zeej vur áltiëd gaon ut lot stook dur en stökske veur ma ás ik ôp miën tróm goj slaon is iëne roffel straks vur eur…
Gisteren condoleerde ik zijn zoon Stefan via de mail.
Hallo Stefan,
Ik had het gerucht in Horst al opgevangen maar las net de overlijdensadvertentie van je vader op Nu Horst aan de Maas. Mooie foto van hem, die jullie daar gekozen hebben.
Ik wil je bij deze van harte condoleren. Ik heb je vader heel vaak door Horst zien wandelen. Er heeft wat mij betreft altijd een soort mooie onaantastbaarheid rondom hem heen gehangen.
We zijn elkaar een paar keer tegengekomen bij Gember, maar daar zag ik hem ook regelmatig alleen binnenkomen en plaatsnemen. Bedachtzaam en erudiet. Mooie man…
Heel veel sterkte gewenst, vrijdag bij het afscheid.
Groet,
Geert van den Munckhof
Die vrijdag van het afscheid was vandaag, 6 februari. Op mijn vaste dagelijkse wandeling besloot ik een route te lopen die langs het huis van Walter ten Brink zou leiden. Als een soort stil eerbetoon aan de man, die de route van zijn huis naar het centrum van Horst zelf ook zo vaak gelopen had. Die ochtend was volgens de rouwbrief het besloten afscheid. Toen ik het pad naar zijn huis voorbij wandelde, zag ik al een paar mensen buiten met elkaar in gesprek. Het lange, mooie pad naar zijn huis. Ik heb daar ooit al wat over geschreven.
Dat ik er toen over schreef, en er ook een gedicht over maakte, had alles te maken met het gegeven dat zijn vrouw Hanni toen net overleden was. Over haar ziekteproces en over Hanni zelf heb ik ook ooit geschreven.
Die twee verhalen zijn tot stand gekomen op de plek, waar ik vaker schrijf, bij de oude eik en het kruis bij de Gortmeule. En ook vandaag besloot ik daar voorbij te wandelen. Ik herinnerde me momenten dat ik er op het bankje zat en dat Walter ten Brink me tegemoet liep, vriendelijk knikte, vertelde dat hij dat rondje vaker maakte, ter afscheid me een goededag wenste, en weer verder schreed. Met diezelfde mooie, vriendelijke onaantastbaarheid.
Nu zag ik van een afstand een auto bij de eik geparkeerd staan. Er stonden een paar fietsen en er waren drie personen bezig. Toen ik hen voorbij liep, sprak een van hen me aan. We raakten aan de praat en ze vertelden me waar ze mee bezig waren geweest. Laat ik het zo samenvatten, dat ze op die mooie plek een hele eervolle rituele handeling hadden verricht, die te maken had met de as van hun ouders.
Terwijl we spraken, kwamen Ton en Fien van de Gortmeule aangefietst. Ze stopten even omdat ze in een van de drie mannen een bekende zagen. Een kort gesprekje volgde. Ton en Fien bleken op weg te zijn naar het afscheid van Walter ten Brink, dus vervolgden hun weg. Ook ik liep verder en dacht na over de dingen die gebeurden. Over levenspaden die bewandeld werden. Paden waar ik nu zelf ook over liep. Letterlijk en figuurlijk. Gebeurtenissen die ‘op je pad’ komen.
Over het pad naar huize Ten Brink, waar Hanni ooit samen met Walter liep. Het pad, waar Hanni, na haar overlijden een laatste keer begeleid is door Walter en hun zoons Stefan en Guido met aanhang. Met in gedachten waarschijnlijk ook hun kinderen die ze bij leven al hadden moeten missen: Claudia, Maurits en Judith. En vandaag zou ook Walter over dat pad zijn laatste reis gaan maken. Het gezin zou hem daarin begeleiden, stond op de rouwkaart van Walter. Naar zijn laatste rustplaats bij Hanni op de begraafplaats in Horst.
Het gezin. Ik vergeleek de rouwkaart van Hanni, die 26 juni 2020 overleed, met die van Walter en zag dat ‘het gezin’ in zes jaar tijd ‘gegroeid’ is. Bij Hannie las ik Claudia(†), Stefan en Jenny, Luc en Martijn, Maurits(†), Claudia, Thomas, Judith(†), Guido en Mirjam, Casper en Amber. Op de rouwkaart van Walter had Martijn er een Sietske bij, Claudia een Kevin, Thomas een Loïs, Casper een Lieke en Amber een Arvind. Walter was volgens de kaart pa, schoonvader en ook trotse opa. Zoals Hanni destijds ma, schoonmoeder en trotse oma was. Weliswaar toen van iets minder ‘kleinkinderen’.
Hanni en Walter. Allebei in hun leven markante persoonlijkheden in Horst en ver daarbuiten. Hanni’s kleinkinderen, zes jaar geleden, zijn iets minder kleine kleinkinderen nu. Zij bewandelen hun eigen levenspaden. Daar was Walter trots op. En ik denk dat iets van die trots ook altijd heeft doorgeschenen in die mooie onaantastbaarheid die over hem heen hing, als je hem zag wandelen. Omdat hij begreep dat levenspaden weliswaar eindig zijn, maar toch altijd doorlopen…
Toen ik zijn foto zag, kwamen de herinneringen boven. Ik weet bijna zeker dat hij er ook bij was. Ik was een jaar of 16, 17 en zou met vrienden voor het eerst naar Bar de Saloon op het Wilhelminaplein gaan. Spannend, maar wij vonden onszelf stoer genoeg om dat te wagen. Er bleek een stevig feest gaande. Ik herinner me een rock & roll-sfeer. Stoere kerels stonden buiten al te vieren. We dachten ze te kunnen passeren, maar ze maakten ons onmiskenbaar duidelijk, dat we alleen met een vetkuif naar binnen mochten.
Daar hadden ze een emmer water voor klaar staan, waar we ons hoofd in moesten dompelen. De grootste lol, kan ik me herinneren, toen ik dat weigerde. Want dat vonden ze ook prima. Maar ik kwam er vervolgens niet in. Ik meen me sommige van hen nog voor de geest te kunnen halen. En het zou me niet verbazen als ik daar Frans voor het eerst heb gezien.
Jack Beerens kwam vanmiddag, vrijdag 23 januari, als laatste binnen in de grote zaal van ‘t Gasthoês. Hij had waarschijnlijk op Nu Horst aan de Maas de overlijdensadvertentie gelezen van Frans. Zijn vroegere klant, vriend en medewerker. Net als heel veel anderen wilde hij Frans de laatste eer komen bewijzen. Het was enorm druk.Â
Op 14 januari was Frans in het ziekenhuis overleden. Een dag later belde Bob Noten of ik de afscheidsdienst wilde begeleiden. Van Frans Houben, las ik die avond, ongehuwd en geen kinderen. Zijn neef Guido regelde zijn afscheid en hem zou ik een dag later spreken. Hem alleen dacht ik, eventueel met zijn partner Viviënne..
Maar tot mijn verbazing trof ik een zeer uitgebreide familie delegatie aan. Frans z’n oudere broer, zijn twee zussen, een ervan met aanhang, dochters van een van de zussen, de weduwe van zijn overleden broer, twee kinderen van Els met hun partners. Els was de jaren eerder al overleden partner van Frans. En tussendoor liep er een kleine peuter rond, die zo nu en dan beziggehouden kon worden door de zoon van Guido, maar die ook duidelijk een eigen willetje had en zich zo nu en dan meldde aan de grote tafel, waaraan wij allemaal zaten.
Zou Frans het bij de huisarts al hebben aangevoeld, toen hij daar met klem had aangegeven niet naar een verpleegtehuis te willen? En niet gereanimeerd wilde worden, mocht het ooit zover komen.
14 januari dus. En 23 januari namen we afscheid van hem. Op de bühne van het Gasthoes stond een prachtig gereviseerde Ford Mustang. Zijn eerste Ford Mustang, die hij in 1972 al had opgeknapt en tot in de puntjes steeds in tiptop conditie had gehouden. Buiten, vóór het Gasthoes stonden nog vier Ford Mustangs te wachten om Frans na het afscheid naar het crematorium te vergezellen.
Alles viel op z’n plek. De liefde van Frans voor Frankrijk werd bij binnenkomst al benadrukt door franse orgeldeuntjes op de achtergrond. Meteen al anders dan anders en dat paste wel bij Frans, had ik uit de gesprekken begrepen. Bij het welkom heten van alle gasten was er ineens duidelijk het gekakel van kippen te horen. Een verrassende mobiele ringtone waarvan de eigenaar zelf meende dat ze haar mobiel toch echt uit had gezet. Zou Frans misschien…
Na het welkom heb ik de levensloop voorgelezen, die samen met de grote familiedelegatie tot stand was gekomen. Daarna hield zijn oudste broer Jan een emotionele toespraak. Hij noemde onder andere de partner van Frans, Els, die jaren eerder overleden was. Op de rouwkaart van Frans stond het duidelijk: Frans is nou wèr na zien Elske. De jaren met Els waren Frans zijn mooiste jaren. Zijn zus liet dat nog extra optekenen in de levensloop en Jan bevestigde dat nog een keer in zijn verhaal.
Na Jan sprak Vivienne, namens Guido en zichzelf. Toen Rick, die herinneringen van hem en zijn zus Loes beschreef. En de laatste spreker was de buurvrouw van Frans, Mischa, die namens de Loevestraatbuurt sprak. Na elke spreker waren er foto’s te zien, op muziek van Frans. Foto’s die zonder woorden precies dat lieten zien wat de sprekers over Frans verteld hadden. Ik mocht het afscheid besluiten met een gedicht, waarna iedereen persoonlijk afscheid kon nemen van Frans. De eerste 6.22 minuten met het prachtige nummer van Pink Floyd, Comfortably numb.
Elke keer opnieuw ben ik onder de indruk hoe nabestaanden elkaar vinden en omgaan met hun verdriet. Ieder op zijn of haar manier, ook in de manier van voorbereiding naar het definitieve afscheid. De eerstvolgende zomerbrunch van de familie Houben zal Frans opnieuw gemist worden, net als bij de Kerstbrunch die in december al gepland staat. Met de hele familie Houben en iedereen die daar op een natuurlijke manier bij is aangesloten. Frans zal er in gedachten steeds bij zijn. Misschien dat hij de komende tijd nog wel ergens een aardige ringtone kan laten afgaan…
Hieronder nog het gedicht, waarmee ik de afscheidsdienst mocht besluiten.
Frans,
geej waart en bitje aas oow Mustangs en sort vaan ruwe bolster, blanke pit vá boete degelijk, sterk, en bitje kranks má wao vaan binne hiel veul liefde zit
aaltiëd bezig en steeds haart gewaerkt mit ut vakmanschap daat ow eige waor ok toen geej ut zelluf waat minder köst stoongde nag vur iederiën aaltied klaor
geej maakte moeie dinge meij genoot vaan waat ut laeve bood ge voongt hiël lichtig oowen dreij ma ut ging neet aaltied aeve good
ierst Christine, möste verleeze en daonao Els, ok vul te gauw wiënig is oow zoë bespaard gebleve ma ge bleeft oow zelluf aaltied trouw
geej praotte gaer, haat fantasie en aal waas ut daan neet aaltied waor ma vaan oow verhale woorte blie en ge bleefs ze halde, oow wilde haor
tot ôp ut laatst hedde gestreje ma tevurgefs, ut ging ni miër zoë ziede vaan ôs weggegleje zoonder oow môtte weej nou wiër
in ôs laatste minute, da wiëte we ut pas stiët dur misschien ennen engel aan ôs bed aas daat zoë is, en daat môt waal has haet oow familie, má ok Els ôp oow gelet…
Ontmoetingen op afstand. Herinneringen terughalen naar het nu. Na een uur wandelen met een podcast op mijn oren, strijk ik neer bij Gember voor een chai masala. Het is zaterdag 27 december. Terwijl ik mijn handen warm aan de chai, overdenk ik zo’n beetje wat ik het afgelopen uur gehoord heb. Terwijl ik terloops naar buiten kijk, zie ik daar Twan Huys met zijn vrouw en kinderen voorbij komen. Meteen gaan mijn herinneringen terug naar het moment dat ik hem ooit mocht interviewen in Griendtsveen.
Vreemd hoe dat met mijn geheugen werkt. De foto vertelt mij dat Petra en ik dus in dezelfde klas zaten van scholengemeenschap Jerusalem in Venray. Had ik die foto niet gezien, dan had ik het antwoord schuldig moeten blijven op de vraag of ik ooit bij Petra in de klas heb gezeten. Ik ken haar wel van andere momenten van vroeger en daarom herkende ik haar ook meteen. En nu ik haar zie, moet ik aan die foto denken. Zou zij die foto ook hebben, vraag ik me af. Herinneringen.
Volgens mij wonen ze allebei niet meer in Horst aan de Maas. Ze zijn er wel geboren, in Sevenum volgens mij. Maar op jonge leeftijd zijn ze naar Horst verhuist. Ze zaten op dezelfde lagere school als waar ik zat. Niet zo lang geleden heb ik Twan en Petra ook samen met hun gezinnen in Horst gezien. Volgens mij omdat hun vader was overleden. Ik ben nog naar zijn afscheidsdienst in het Gasthoês geweest. Zo rijgt de ene associatie zich aan de andere in mijn hoofd. Ik denk weer aan de podcast van zojuist ..
Die heeft als overkoepelende titel: ‘Filosofie is makkelijker als je denkt’. Dat alleen al vond ik prachtig. Nu ik bij Gember aan de chai zit, zoek ik er wat informatie over terug. Coen Simon, hoofdredacteur van Filosofie Magazine, maakt de podcast. Hij gaat daarin ‘samen met een meedenker op zoek naar antwoorden op onoplosbare vragen’. De podcast is voor ‘iedereen die weet dat hij niets weet’, lees ik verder in de beschrijving. Mooi, dat komt goed uit…
De meedenker deze keer is Liesbeth Woertman. Zij is emeritus hoogleraar psychologie aan de Universiteit Utrecht en schrijver van het boek ‘Zeg me wie ik ben’. De onoplosbare vraag deze keer is: Wie is die ik die over zichzelf praat? Het gesprek gaat over identiteit en wat het nou eigenlijk is, dat iemand zichzelf ‘ik’ noemt. Geconstateerd wordt dat het geheugen daarin een grote rol speelt. En de uitspraak van Descartes -cogito, ergo sum- (ik denk, dus ik ben) vind Woertman een zware overschatting van het denken.
Interessant, onder andere die link met het geheugen. Ze noemt als voorbeeld dementie. Door het afbrokkelende geheugen vervagen herinneringen. In een vergevorderd stadium lijkt de ik-jij relatie helemaal verdwenen en zou je kunnen zeggen dat die persoon zijn eigen ‘ik’ ook kwijt is geraakt. Het ‘ik’ is in de ogen van Woertman een niet op zichzelf staand construct, maar is altijd verbonden met iets of iemand.
Zo verbindt nu een foto me met Petra en een interview in Griendsveen me met Twan. Ontmoetingen op afstand. Herinneringen naar het nu. Momenten tussen allerhande andere herinneringen en gedachten in. Ik denk, dus zij bestaan. Zoiets.
Als ze dit lezen, dan wens ik hen en hun gezinnen hele fijne feestdagen toe en het allerbeste voor de jaren die gaan komen. Eigenlijk wens ik dat aan iedereen die tot hier gekomen is met het lezen van mijn gedachten. Well done!
Petra, achterste rij middenin. Ik sta links van haar.
PS Mocht je het moment met Twan in Griendtsveen willen teruglezen, klik dan hier
NB Heel kort na de publicatie van het bovenstaande hoor en lees ik de reden van hun aanwezigheid in Horst. Op 23 december jl. is ook hun moeder overleden. Op 91-jarige leeftijd. Behalve de beste wensen, bij deze ook heel veel sterkte gewenst..
In mijn ‘vorige’ leven was ik logopedist. Daar leerde ik dat nieuwsgierigheid een belangrijke basisvoorwaarde is voor de taalontwikkeling van kinderen. Nieuwsgierigheid in combinatie met contact met de omgeving, met anderen, b.v. de ouders of verzorgers. Vanuit een gevoel van veiligheid samen de wereld steeds meer ontdekken, en daar woorden aan geven. In de ontwikkelingspsychologie had men het over ‘joint action and joint attention’. Ik meen dat het ontwikkelingspsycholoog Jerome Bruner was, die dat daarmee kernachtig samenvatte. Samen dingen doen en daar met elkaar aandacht voor hebben. Zo ontwikkel je je. Zo ontstaat taal.
Een schrijfretraite in het Dominicanenklooster in Huissen. Vorige week heb ik mezelf daar weer eens een keer op getrakteerd. Van woensdag tot en met vrijdag, begeleid door Pauline Weseman, schrijven rondom een overkoepelend thema. Fijn om daar alle tijd aan te kunnen besteden. De retraite had als titel ‘Leven vanuit mijn ziel’. Middels een aantal stadia die Dante in zijn ‘Goddelijke Komedie’ uitgebreid heeft beschreven, nam eenieder -we waren met z’n veertienen- zijn of haar eigen leven al schrijvend onder de loep.
Dat leverde interessante inzichten op. Voor mezelf maar ook door de herkenning in wat de anderen beschreven en in groepjes of plenair teruggaven. Verrassend hoe verschillend uitkomsten kunnen zijn van geleide schrijfopdrachten. En wat me tijdens deze schrijfretraite weer opviel, is dat er -al schrijvende- hele mooie volzinnen ontstaan. Zinnen, die los van de geschreven context van waaruit ze komen, zouden kunnen leiden tot prachtige, nieuwe schrijfsels. Inspirerend.
Ik snap je frustratie helemaal. Ik bèn je twijfel waar jij over twijfelt. Soms moet ik met bewondering kijken naar je twijfel. Terwijl jij zoekt naar argumenten, zie ik dat jouw argumenten ook steekhoudend zijn. Juist, door geen argumenten te gebruiken, ontstaat er een openheid, waar menigeen zijn of haar voordeel mee zou kunnen doen. De stilte van niet beargumenteren biedt zoveel mogelijkheden. Maar dan moet je je zelf daar niet schuldig om voelen. Want dan is je stilte heel relatief. Dan is er herrie in je hoofd. Anderen horen je niet, maar je wordt doof van jezelf. Luister eens naar dat lawaai en ga er in je hoofd eens een stukje vanaf staan. De afstand die je neemt, laat het aantal decibellen afnemen, zul je zien. Of horen eigenlijk. De twijfel tussen positief of negatief, de neutraliteit die jij verkiest, geeft je de ruimte om juist dat te doen, waar je je goed bij voelt. Twijfel niet over je twijfel. Laat het er zijn. Sterker nog, laat het anderen merken, die op de barricades tegenover elkaar staan. Laat hen naar jouw stilte luisteren. Of naar datgene dat jij vanuit de stilte aan hen wil meegeven. De stilte draagt heel ver. Veel verder dan alle harde geluiden. Laat anderen naar jouw stilte luisteren!
Als ik het nu teruglees, is er van alles van te vinden. Heb ik zelfs de neiging om hier en daar te gaan ‘verbeteren’. Maar die zin:.Laat anderen naar jouw stilte luisteren. Die vind ik nog steeds prachtig.
Het was zó leuk om te zien wat er toen ‘in stilte’ en in een hele korte tijd allemaal gebeurde. Je zag de eerste schrik en meteen daarna de herkenning. Vervolgens het ongemak bij de persoon in kwestie, die de ringtoon zo snel mogelijk wilde onderdrukken. De mobiel moest eerst uit een tas worden gefrommeld. Eenmaal in de hand werd er in stille paniek op allerlei knopjes gedrukt. Toen de beltoon verstomde werd de telefoon snel weer in de tas gestopt. Met een verontschuldigende blik links en rechts leek het voorval opgelost, toen er uit de tas een bedompt ‘hallo?… hallo?… klonk. Niet lang, maar lang genoeg om de hilariteit wat mij betreft tot een hoogtepunt te brengen. Te leuk om er last van te hebben..
Ik heb er tijdens het interview nog even naar gerefereerd. De persoon in kwestie zat niet meer in het publiek, maar het voorval riep bij hen die er nog wel waren veel herkenning op. Het zal je maar gebeuren. In allerlei opzichten. Ik vond het vooral heel erg vermakelijk. En als de persoon zich in het bovenstaande herkent, weet dan dat iedereen je al vergeven heeft, zeker na de moeite die je je getroostte. Een prachtig voorbeeld van met hoeveel inzet je anderen naar jouw stilte kon laten luisteren…
Buiten een dichtgeklapte parasol. Troosteloze aanblik. Alsof de moed is opgegeven. De chinees bereidt zich al voor op wat opnieuw een drukke dag zal worden. Boven de ingang zie ik de historie: post- en telegraafkantoor. Toen pakjes, nu zakjes. Van stempels naar tempels. Ach..
Weinig volk op straat. Binnen wordt het drukker. Achter me ingetogen gepraat over alles wat zich voordoet en waar niks aan te doen is. De stem van vader met de harde g gaat meer en meer op in het toenemende zondagochtendgeroezemoes..
Op de achtergrond zingt U2 ‘In the name of love’. Een moeder loopt buiten met een overdekte kinderwagen. Iemand uit het gezelschap achter me, ziet buiten een bekende op de fiets voorbijkomen. Met handschoenen aan. Hij zwaait. Zonder te zien naar wie. Ik groet hem terug met een knikje. Ook dat ziet hij niet.
Of alles gesmaakt heeft, wordt het gezin gevraagd. Drie keer ja van pa en de opmerking dat een van hen thuis altijd drie broodjes eet. Nu blijkbaar niet. Voor hetzelfde bedrag. Vriendelijk wordt geluisterd, geglimlacht en tegelijk afgeruimd. Alles moet gewoon doorgaan. Of ze nog wat willen drinken? Dat willen ze.
Het gezelschap achter me is aan het weer toegekomen. Het vriest niet. Nee, maar het motregent nog wel, zie ik. Mensen lopen nog steeds onder een paraplu. Ik hoor dat er kleingeld over de tafel geschoven wordt. Mijn tweede thee is op. Ik ga ook afrekenen. Herfst op een zondagochtend. Ach…