Met een wat bedrukt gemoed begin ik aan mijn maandagcolumn. Geen duidelijke reden voor mijn stemming, maar fietsend op weg naar een van mijn schrijfplekjes is dat gevoel er. Een beetje maandagblues misschien? Het begin van een tweede coronagolf? De waarom-vraag bij alles wat er speelt en waar meestal geen antwoord op te geven is?
Aan de plek waar ik nu zit kan het niet liggen. Zoveel wilde kleurenpracht bij elkaar zie je niet zo vaak. En dan ook nog met een picknicktafel die nu, voorzien van een uitklapbaar toetsenbordje en een iPhone-schermpje, perfect dienst doet als flexplek. Ik merk dat wanneer ik schrijf, mijn gedachten wat wegtrekken van dat lastig te duiden, ietwat bezorgde gevoel.
Het trekt open. Fel blauw en zonlicht doorklieven steeds opdringeriger het grijs van de wolken. Op die momenten tekent de zon de contour van mijn hoofd als strakke schaduw op de tafel. Ik weet dat wanneer de zon continue gaat schijnen, ik het hier niet ga volhouden. Ik houd van de zon vanuit de schaduw. Maar het trekt open.
Net als mijn gedachten.
Het zal wel de aard van het beestje zijn, dat m’n gedachten zo vaak met me op de loop gaan. Door er woorden aan te geven probeer ik er wat richting in te krijgen. Sturing naar de wat lossere, meer zorgeloze kant van het bestaan. Het zien van het blauw tussen het grijs van zonet, overkomt me op het juiste moment. De zon geeft ongevraagd antwoord op het waarom.
Die verandering van het weer gebeurt dagelijks. En meestal zonder dat je er bewust bij stil staat. Het regent. Het is bewolkt. Of de zon schijnt. Het is zoals het is en verandert zoals het verandert. De menselijke eigenschap is dan om dat vanzelfsprekende te willen duiden. De ‘waarom-vraag’ beantwoord te willen zien. We willen weten wanneer het bewolkt is, wanneer de zon schijnt en wanneer het regent.
Net zoals ik blijkbaar wil weten waarom mijn gedachten zo nu en dan grijs zijn. Terwijl het best wel eens zou kunnen zijn dat die gedachten in essentie alleen maar veranderen omdát ze veranderen. Niet meer en niet minder. Nét als het weer. De verklaring zoeken voor de kleur van de gedachten is mogelijk juist de oorzaak van de kleur grijs.
Laat ik het daar voor deze maandag maar even bij houden. Zonder een gedefinieerd antwoord op het waarom maar juist daarom misschien wel afdoende.
De zon blijft schijnen. Geen schaduw meer. Voor nu…
Een plekje aan de Maas. Bij het pont van Broekhuizen naar Arcen. Een keer wat anders. Zien welke inspiratie daar uit de bodem komt. Terwijl ik ‘een keer wat anders’ opschrijf, is het pont net aan mijn kant. Het valt me op dat er dan ineens een heleboel leven bijkomt aan deze kant. En dat terwijl ik me nèt daarvoor aan het afvragen was, of er een interessant schrijfonderwerp zou zitten in het telkens weer op en neer gaan over de Maas.
Ondertussen is er een jeep gestopt achter me. Waarschijnlijk nóg een of twee auto’s die er bij horen, want ineens staan er zes mannen en vier vrouwen aan de kade links van mij. ‘Een ideale plek’, hoor ik een van de mannen zeggen. In no-time staan de zes mannen ieder met een vishengel in de handen. De vrouwen installeren zich op klapstoeltjes. Spontaan bereid, lijkt het, om het komende visspektakel te aanschouwen.
‘Appelsap of meteen aan het bier?’, hoor ik een van de dames zeggen, met een dialekt, dat meer verbinding heeft met de plek waar de Maas de Noordzee in stroomt dan met deze plek in Broekhuizen. Toeristen, is mijn conclusie, én visliefhebbers, die deze mooie plek in de volle lengte nu gebruiken voor hun hobby. En de mannen gaan niet voor de appelsap, zie ik.
Het tafereel heeft wel iets gezelligs. Benieuwd naar de ontlading wanneer één van hen de eerste vis uit de Maas hengelt. Dan rijdt één van hun auto’s het pad op naar Hoëg. Geen idee wat daar de bedoeling van is, want ze hebben ongetwijfeld gezien, dat het pad voor auto’s doodlopend is. Al snel gaan de achteruitrijlichten dan ook aan en komen ze in omgekeerde richting weer terug rijden.
Dat brengt me bij mijn eerste gevoel. Vooruit gaan en weer terug. Of, net als het pont, telkens op en neer gaan, tussen de ene en de andere oever en de zin daarvan. Er zit een aardige metafoor in, die ik echter niet meteen kan duiden. Ik zoek naar een terugkerend patroon, dat ondanks voortdurende herhaling toch zin blijft houden. Opstaan en naar bed gaan bijvoorbeeld. Of werk en vrije tijd. Of nog meer hoog over: geboren worden en dood gaan.
Hier, aan een picknicktafel aan de Maas, hoor ik dat de vakantiegangers hun situatie ter plekke bespreken. Dat kan ook best onder het vissen, want gevangen is er nog niks. Nog een keer wordt het perfecte van de plek benadrukt. Het gesprek gaat verder over de camping waar ze verblijven, de geluiden die ze daar horen en de producten die niet in de campingwinkel te verkrijgen zijn. Over slaapapneu, samen in een tent slapen, verwachtingen van de avond. ‘Iemand nog bier?’. ‘Wijn! Wijntje, wijntje…’.
Hoe heet een voyeur die niet kijkt maar luistert? Hoewel, ik zat hier natuurlijk wel eerst, verontschuldig ik mezelf. Toch stap ik op en besluit om bij Hoëg nog wat te gaan eten. Ook zoiets, dat altijd maar weer terugkomt. Telkens opnieuw, elke dag weer. Eten. En drinken, om steeds maar door te kunnen gaan.
De vissers krijgen op dit moment broodjes bij het bier. De zin van herhaling? Dat is simpelweg doorgaan, bedenk ik me nu. Dat heeft zin. Ook als je niks vangt.
Het gras in de weilanden is gemaaid. Dat is niet alleen te zien maar ook te ruiken. De frisse lentegeur is er vanaf. Afgesneden en steeds meer uitgedroogd, bereidt het zich voor op z’n nieuwe staat van zijn: hooi. Voedsel voor periodes dat er weinig gras is. De zon doet z’n werk en verkleurt wat groen is langzaam naar geel.
De zon. Ze schijnt op deze vroege zaterdagmiddag door dikke dotten wolk. In de schaduw van de grote eik voel ik de aangewarmde wind langs mijn gezicht gaan. Op afstand hoor ik zo nu en dan stemmen, maar ik kan niet verstaan wat er wordt geroepen. Ik blaas een klein groen spinnetje van mijn hand.
Vlinders fladderen af en aan, over allerlei bontgekleurde bloemen. Witte en paarse klaver, klaproos, korenbloem en nog veel meer soorten die ik niet bij naam ken. Alles met wortels in de grond beweegt mee met de golven van de wind. Alleen de vlinders lijken dwars door dat ritme heen te bewegen. In een soort van drukke besluiteloosheid landen ze op plekken van waar ze bijna meteen ook weer opvliegen.
Het is een sfeer van laat maar waaien. Zoals zo vaak te voelen op deze plek, waar ik, net als de vlinders, in een soort van besluiteloosheid zojuist ben geland en straks weer zal vertrekken. Onderdeel van een groter geheel. Niet meer en niet minder. Als ik niet beter zou weten zou ik ook de klaproos, een witte wolk of een groen spinnetje kunnen zijn. Maar ik weet wel beter.
Ik hoor een vliegtuig in de lucht. En ik heb vanochtend in de krant gelezen dat er in Limburg en Brabant meer varkens wonen dan mensen. Dat er mensen zijn die dat totaal niet zien zitten en dat er mensen zijn die daar totaal niet mee zitten. Ik lees dat er in Birmingham onderzoekers zijn die een link leggen tussen corona en al dat vee. En dat er vervolgens weer mensen zijn die dat wel, en mensen die dat totaal niet geloven.
Er is even een grote wolk voor de zon geschoven. Het lijkt alsof de vlinders wachten tot die wolk weer weg is, want er fladdert er niet één meer over de bloemen. Hebben ze dan toch een gezamenlijk besluit genomen, ingegeven door de natuur? O nee, één witte vlinder bewijst meteen het tegendeel. Besluiteloosheid blijft dus troef.
Terwijl de wolk de zon weer vrijgeeft, denk ik na of er iets is dat mensen misschien van vlinders kunnen leren. Of van klaprozen, van witte wolken of van groene spinnetjes. Hoe zou het trouwens met het zeldzame pimpernelblauwtje gaan? Er zijn mensen, die besluiten bermen met beschermde flora en fauna te maaien. Maar vanmorgen stond ook in de krant dat er mensen zijn die heel snel weer grote pimpernelplanten gaan terug planten. Een citaat uit dat artikel: ‘Het is niet hopeloos, maar het wordt wel nog een heel stuk moeilijker.’
Misschien is dat wel de belangrijkste overkoepelende conclusie van dit moment. Het is niet hopeloos maar het wordt wel steeds moeilijker. Ik stap maar weer eens op, iets minder besluiteloos.
Een Pimpernelblauwtje. (Foto: Rita van den Broek / Hollandse Hoogte)
Eergisteren zou mijn moeder 91 jaar zijn geworden. Toen ik daar die ochtend bij stil stond, realiseerde ik me dat ze op een paar jaar na bijna net zo lang dood is als dat ze heeft geleefd. Mei 1978 is ze overleden, ongeveer een maand voor haar 49e verjaardag. Ik was toen net 18 geworden. 42 Jaar geleden, afgelopen donderdag 9 juli.
Op diezelfde dag, in de vroege avond, hebben Dion Stoop en ik bij het houten beeld ‘Infinity’ een gedicht geplaatst, uitgestanst in staal. Het beeld is gemaakt door Roel van Wylick, die (zieke) bomen omtovert tot ware kunstwerken. Het beeld ‘Infinity’ staat bij de ingang van hospice Doevenbos. Een zieke eik leende daar zijn stam voor een tweede leven.
Bij dat beeld is dus nu mijn gedicht geplaatst. Speciaal gemaakt voor het Hospice en passend bij het beeld van het oneindigheidsteken. Maar toevallig nu net geplaatst op de verjaardag van mijn moeder. Ik hou wel van de symboliek en de samenloop van omstandigheden. Er zijn weinig jaren voorbij gegaan dat ik op haar verjaardag niet even aan haar gedacht heb. Maar nog nooit zijn mijn woorden op die dag in staal gevangen en bij de oneindigheid geplaatst.
‘Er is één lettertje niet helemaal gelukt’, vertelde Dion. Hij bedoelde dat de smalle dwarsverbindingen naar de binnenrondjes van gesloten letters overal heel verfijnd waren aangebracht. Op één lettertje na. Een ‘g’ miste z’n binnenrondje. Geen probleem. Met wat fantasie zou je er zelfs een 9 in kunnen zien. Één negen, tussen al die woorden. Van één en negen kun je ook het getal 91 maken. Ja, ik hou wel van de symboliek en van de samenloop van omstandigheden. Omdat ze jarig had kunnen zijn en 91 zou zijn geworden… het gedicht ook voor haar
de eindigheid voorbij waar tranen kunnen drogen
daar vliegt een duif van jou naar mij tot achter regenbogen
daar waar de zon de regen raakt zal ik nog naar je kijken
oneindig ver maar toch dichtbij tot waar mijn ogen reiken
van her naar der van jou naar mij oneindig ver en nooit voorbij
Afgelopen vrijdag zat ik hier. Op het bankje onder de oude eik. Zoals altijd eerst de serene rust en de relatieve stilte in me opnemend. Het wuivende koren waar ik de laatste weken op uitkeek, was gemaaid. Hoe zou het met Hanni zijn, vroeg ik me af.
Gistermiddag, op zondag, ben ik weer naar het bankje gefietst. Hetzelfde mooie zomerse weer. In die sfeer de eerste regels van een gedicht op digitaal papier gezet. Het pad, dat langs eik en kruisbeeld loopt, ter inspiratie. Stoeien met woorden, die soms vanzelf komen, maar ook vaak wat weerbarstig zijn en niet meteen willen zeggen waar ze voor staan. Dan is het goed om het even te laten. Zeker wanneer je dochter belt of je bij Passi een ijscoupe warme kersen wil komen eten. Soms komen dingen samen en dan moet het zo zijn.
Bij Passi heb ik desgevraagd Pip en Thea laten lezen wat er tot dan toe op papier was gekomen. ‘Ik moet er nog wat mee’, vertelde ik hen. En ik nam me voor om er s’ avonds of op mijn vrije maandag verder naar te kijken. Diezelfde avond viel er een kaart in de bus. Een kaart, met op de voorkant een foto van het pad naar huis Ten Brink. En in de kaart een gedachtenisprentje, waar Hanni op datzelfde pad stond, de camera inkijkend. Hanni bleek vrijdag te zijn overleden. Morgen wordt ze in besloten kring begraven.
Nu zit ik er weer. Het gele stoppelveld steekt mooi af tegen het groene weiland dat er voor ligt. Wolken zie ik als grote lichte vlekken op me af komen, aaiend over het pad en over het geel en groen. De regels waar ik zondagmiddag nog niet meteen van wist waar ze voor stonden, hebben nu een bestemming gekregen. Ze zijn voor Hanni en voor iedereen die haar vanaf nu in gedachten met zich meeneemt. Voor Walter, Stefan, Guido, hun aanhang en kinderen. Voor de familie en haar vele vrienden en bekenden. Soms komen dingen samen en dan moet het zo zijn. Waar we ook lopen en welk pad we ook gaan…
het karrenspoor doorsnijdt de schaduw van de eik het oude pad loopt wijd trekt eeuwen al bekijk
de wind, de zon, de wolkenlucht de bloemen en het gras een eeuwigheid in vogelvlucht waar zij heel even was
een fractie deelgenoot te zijn van alle tijd op aarde dat lijkt zo nietig en zo klein maar is van grote waarde
de zon, de wind, die weten dat die zien het grote wonder één steentje op het oude pad maakt héél het pad bijzonder…
Op de T-splitsing van de Dr. Droesenweg en de weg naar Meterik. De picknicktafel onder drie bomen. Heel goed kijken waar ik kan gaan zitten, want zo goed als de hele tafel en bank zit onder de -gelukkig opgedroogde- vogelpoep. Onder de tafel wat ingedeukte lege blikken en sigarettenpeuken. Er zijn blijkbaar meer mensen die het plekje zonder poep hebben gevonden.
Ik laat de vogelpoep en de troep voor wat die is en wil het eerstvolgende benoemen dat in me opkomt: Willem Engel. Wát een zelfgenoegzaamheid in dat gezicht toen hij na het kort geding naar buiten kwam. Zijn fans zongen hem toe. ‘Willem bedankt, Willem bedankt’ en hij kreeg volgens mij ook nog bloemen. De demonstratie op het Malieveld mocht niet doorgaan, maar de aanklacht tegen de staat, dat had hij toch maar mooi voor elkaar gekregen.
En het voelde goed bij de fans. Willem verwoordde precies wat iedereen dacht. De regels moesten overboord. De staat wist er niets van. Het was allemaal doorgestoken kaart. Die anderhalve meter had geen enkele zin en eigenlijk moest alles anders dan dat er tot nu toe was beweerd. Maurice de Hond had het ook gezegd en Willem was het daar roerend mee eens. En andersom. Want zij wisten het beter. Maurice en Willem, de Messias van #viruswaanzin.
Wát zij wisten, dat wist de PVV en FvD ook. Meerdere malen tijdens kamerdebatten, hekelden zij het beleid van de regering. Zij waren de zelfbenoemde stem van het volk. En dat volk wilde anders. Baudet met zijn kenmerkende, nét zo zelfgenoegzaam lachje als Willem en Wilders met zijn diep ingesleten, getergde blik. Zij wisten het. Het volk, waar zij voor stonden, wist het. Alleen de regering, die wist het niet en -o Holland let op!- die wilde het zelfs niet weten.
De petitie van stichting #viruswaanzin werd blijkbaar door meer dan een half miljoen mensen ondertekend. En duizenden mensen hebben volgens Willem gedoneerd aan de stichting, zodat ‘er wel duizend keer een kort geding kan worden aangespannen’. Nodig, vindt Willem, ‘want de strijd kan nog wel twintig jaar duren’. Willem is op een missie. En hij heeft de Hollandse wind mee. En de hooligans, maar die organiseren zich zelf. Hoewel sommigen de petitie misschien ook wel ondertekent hebben.
Twintig jaar…
Hoe lang zou het duren voordat vogels een picknicktafel volledig hebben ondergescheten?