Donker en licht…

Eind april volgend jaar viert hospice Doevenbos haar vijfjarig jubileum. Eigenlijk bestaan ze dan, op één dag na, zes jaar, maar afgelopen mei kon dat jubileum door corona niet worden gevierd. Ze wilden wel, maar het kon niet. Een soort van tegenstelling, ontstaan door overmacht. Een tegenstelling, zoals licht en donker er ook een is. Of leven en dood.

Mijn zus was een van de eerste gasten van Hospice Doevenbos. Dit jaar mei dus al vijf jaar geleden. Bij de eerste herdenking in 2016 heb ik een verhaal verteld over mijn ervaringen bij haar overlijden. Een heel persoonlijk verhaal, want mijn zus was uniek. En toch mocht ik een half jaar later weer een verhaal komen vertellen, bij de volgende herdenking van de mensen die in dat half jaar in het hospice waren overleden. Het unieke bleek ook iets algemeens te hebben. Een tegenstelling die er misschien helemaal geen was. Het verhaal was weliswaar steeds anders, maar ontstond vanuit een zelfde basis.

Zo heb ik op elke herdenkingdienst die volgde een verhaal verteld. Vandaag, maandag 20 september, voor de elfde keer. Steeds een verhaal dat op de een of andere manier betrekking heeft op het overkoepelende thema dat Lucie bedenkt, volgens mij samen met de verpleegkundigen en vrijwilligers van Hospice Doevenbos. En vandaag is dat thema licht en donker.

Een lastig thema, vond ik gisteren, toen ik aan dit verhaal begon te schrijven. Misschien wel juist door de tegenstelling. Want als je het over het één hebt, dan heb je het per definitie niet over het ander. Of toch wel, bedacht ik me toen ineens. Misschien kun je het alléén maar over het een hebben, omdat het ander er is. Licht is er alleen omdat er ook donker is.

Maar als dat zo is, moet je daar dan zo blij mee zijn, vroeg ik me gisteren af. Waarom is er niet alleen licht, zonder donkerte? Waarom niet alleen leven, zonder dood? Alleen maar vreugde, zonder verdriet?

Het zijn vragen waar ik niet direct een antwoord op weet. Ik kijk om me heen, zittend op een bankje onder een tweehonderdjarige eik. De zon schijnt, maar ik zit in de schaduw. Er bloeit roze klaver in het groene gras en er liggen al wat bruine eikeblaadjes tussen. Een witte vlinder vliegt over het pad. Even later een donkere atalanta.

In wat ik zie zitten ook weer tegenstellingen. Op het gebied van leeftijd: oud en jong. Met betrekking tot de zon: warmte en kou. En misschien niet meteen tegenstellingen maar dan toch begrippen die elkaar lijken uit te sluiten: ik zit, de eik staat. De bruine kleur van de herfst tegenover de groene kleuren van de lente. Verval en bloei. Zomer en winter. Heel veel dingen in het leven lijken alleen maar te bestaan bij de gratie van het tegenovergestelde. Moet het dan simpelweg zo zijn? Kan het een niet zonder het ander?

Een vijfjarig jubileum wel willen maar niet kunnen vieren door overmacht. Een dierbare bij leven uiteindelijk moeten afgeven aan de dood. De onmacht die je voelt, is dat het tegenovergestelde van overmacht? Of is er een nóg hogere macht die voor al deze tegenstellingen heeft gezorgd? Hoort donker bij licht, zoals verdriet bij vreugde hoort en dood bij het leven?

Ik denk dat het zo is, maar het blijft elke keer een pijnlijke constatering. Je zou het zo graag anders willen, maar je kunt wat gebeurd is, niet terugdraaien. Wat op je pad komt, niet uit de weg gaan. En ook al is er tijdelijk op dat pad vooral donkerte, verdriet en dood, weet dan dat er onherroepelijk ook licht, vreugde en leven is.

Daar denk ik aan, al die keren dat ik met regelmaat nog aan mijn zus denk, ook al is het nu meer dan vijf jaar geleden. Zoals we waarschijnlijk allemaal, zoals we hier nu zitten, voortaan met regelmaat aan onze dierbaren zullen blijven denken. Herdenken, omdat we ze niet zullen vergeten. En wie weet, wordt het na deze winter van afscheid, straks wel een eeuwigdurende zomer van hereniging.

Tot die tijd wens ik u heel veel licht, vreugde en leven toe, in het volle besef dat het ‘t afgelopen half jaar vaak ook anders was. Dat is het grote voordeel van tegenstellingen: het werkt altijd twee kanten op.

Blinde tranen hoor je niet…

Daar zit ze. Overdag in de rolstoel. En daar ligt ze. ’s Nachts in haar bed. Soms zit ze ook overdag in haar rolstoel naast haar bed. De verpleging heeft haar daar naar toe gereden omdat ze de andere bewoners in de woonkamer onrustig maakt. Volgens de afdelingsarts gaat haar toestand achteruit. Ze is weliswaar blind en ze hoort steeds minder, maar ze verliest nu ook verstandelijk de aansluiting met de werkelijkheid. Ze is veel bang, de laatste tijd. Ze roept dan. Naar haar man die nog niet zo lang geleden gestorven is. Of naar één van haar kinderen, die haar elke dag bezoeken. De kinderen merken ook wel dat moeder meer wartaal spreekt. Maar toch. Zo af en toe is er toch een helder moment. Dan vertelt ze over vroeger. Of over wat ze die dag gehoord meent te hebben. Ze vraagt dan of dat klopt. Het geeft haar houvast in een donkere, stille wereld.

En daar komt nu ook de klad in. Ze drijft af. Het houvast vervaagt. Ze roept dan in de woonkamer. Bang is ze. Echte angst. In het donker, waar niemand iets zegt en ze niemand kan zien. Maar waar steeds meer door haar hoofd gaat. Haar wereld lijkt zich nu helemaal te verkleinen tot in haar hoofd. Voelt ze zelf ook dat ze afglijdt? De andere bewoners worden er onrustig van. Zegt de verpleging. Dus wordt ze bij haar bed gezet. Daar zal de nachtverpleging haar straks ook in bed laten zakken. Nog steeds bang. Omdat nacht ook dag is, en andersom. De stoel kan blijven staan. Dat is handig want daar moet ze morgen weer in.

Ze is als casus besproken, vertelt de afdelingsarts. Er is geconstateerd dat ze, gezien haar versnelde desoriëntatie naar een gesloten afdeling moet. Zou ze daar minder bang zijn? Daar zit meer gekwalificeerd personeel, aldus de arts. Wrang, als je weet dat op die afdeling een aantal jaren lang vader verpleegd is. Moeder kwam daar dan ook, begeleidt door één van de kinderen. Dan zaten ze daar. Moeder hield zijn hand vast. Vader die nog wel kon lopen, kon zien en horen, maar niet meer wist waar dat allemaal voor diende. Hij kwam altijd bij die afgesloten deur uit. Dan liep hij maar weer terug. Hij dronk koffie en at wat er was. Moeder hield zijn hand vast. En als het dan tijd was, werd moeder naar haar eigen afdeling gebracht. Vader bleef. Een open boek, maar zo gesloten. En moeder? Haar boek noodgedwongen gesloten, maar o zo open…

Vader stierf waar iedereen bij was. Moeder was er ook. Ze hield drie dagen lang zijn hand vast. Over houvast gesproken… Toen het stil werd zei ze niet veel…‘Och Va’.. Meer niet.