Ze dipt ‘t frietje in de mayonaise en beweegt daarna haar hand met het frietje naar zijn mond. Hij zit in een rolstoel. Alleen zijn hoofd is te zien onder een rondom afsluitende poncho. In het voorbijlopen zie ik dat z’n hoofd beweegt in de richting van haar hand. Een aandoenlijk tafereel dat me raakt.
Zij, een klein frêle vrouwtje en hij, vroeger een boom van een vent, maar door ziekte steeds meer afhankelijk geworden van haar hulp. Zo lijkt het tenminste. Toch is het een afhankelijkheid die op de een of andere manier niet eenzijdig aanvoelt. Er straalt een liefdevolle vanzelfsprekendheid van uit. Twee mensen die elkaar hun leven lang al hebben bijgestaan en dat dus ook nu gewoon doen. Als het andersom geweest was, zou hij het net zo hebben gedaan voor haar. Alleen had hij haar dan wel makkelijker kunnen voortduwen. En of hij net zo liefdevol een frietje had kunnen aangeven? Ik denk het wel.
Vroeger runden ze samen een museum waar met de hand vervaardigd kopervakwerk werd tentoongesteld. Ik ben er wel eens geweest. Hij, ingetogen aan het werk met gereedschap dat op zichzelf al museumpotentie bezat. En zij, als trotse rondleidster in hun gezamenlijke heiligdom, met liefde al zijn werk tonend. Vakwerk dat zelfs internationale vermaardheid kende. Krantenknipsels en foto’s getuigden van gloriedagen op plekken waar vroeger zonnekoningen en regenten verbleven.
Ze vertelde toen dat er geen opvolging was. En niemand verstond het vak om het ambacht voor de toekomst te bewaren. Zijn handen werkten steeds minder mee met wat hij in zijn hoofd nog kon maken. Meer en meer ging dat ten koste van zijn vakmanschap. Ongewild maar onvermijdelijk.
Ik weet eigenlijk niet of het museum nu gesloten is. Aan de buitenkant hangen nog steeds de vlaggen met hun logo en op de deur staan de openingstijden vermeld. In de vitrines bij de ingang heeft het koperwerk een prominente plek. Het geheel ademt de sfeer van mooie tijden van weleer. Ik weet ook niet of ze er überhaubt nog samen wonen. Misschien met extra hulp?
Zo nu en dan zag ik hen samen in het dorp, nog allebei wandelend. Daarna ondersteunde hij zichzelf vaker met een wandelstok. En een tijd geleden zag ik haar voor het eerst achter de rolstoel lopen. Haar hoofd kwam maar net boven dat van haar man uit. Zij duwde hem, richting het centrum. Later zag ik ze bij Passi, allebei genietend van een ijsje.
En nu, bij de cafetaria onder de parasol, weer samen aan een tafeltje. Zij enigszins naar hem toegebogen. Waarschijnlijk om het frietje, via de mayonaise, makkelijker naar zijn mond te kunnen brengen. Met passie en liefde. Vakmanschap. Anders dan dat van hem maar evengoed van een wereldse allure. Misschien nog wel méér dan werelds…
Als het museum nog open is, alleen daarom al voldoende reden om er eens te gaan kijken. Voor het vakmanschap. Van hem. Maar zeker ook voor dat van haar.
Ik probeer te accepteren wat er is. Me niet druk te maken over dingen waar ik niks aan kan doen. Me te onthouden van het hebben van een mening over zaken waar ik te weinig van af weet. Tegelijk zie ik steeds vaker om me heen dat veel mensen daar anders mee omgaan.
Het lijkt alsof steeds meer mensen niet meer accepteren wat er is. Zich druk maken over dingen waarvan ze denken dat ze er op die manier iets aan kunnen doen. Ze hebben een mening over zaken waar ze klaarblijkelijk voldoende over menen te weten. Het vreemde is dat mensen met een tegengestelde mening er net zo zelfverzekerd instaan.
Ik merk dat ik daar steeds meer moeite mee heb. Niet zozeer met die tegengestelde meningen maar met mijn positie tussen die extremen. Hun ‘strijd’ voelt als touwtrekken met een bungee-jump-koord. Ik ben het vlaggetje in het midden van het koord. Links en rechts zie ik dat de hakken in het zand zijn gezet. Verbeten gezichten met maar één doel: bij het eerste signaal de tegenpartij met kracht omver trekken. Niemand beseft echter dat dit koord volkomen elastisch is.
Het signaal klinkt. Een fluitje, een virus, een functie elders. Alles is een startsein. Meteen wordt er aan beide kanten fanatiek getrokken. Beide partijen voelen duidelijk dat ze terrein winnen en worden alsmaar zekerder van zichzelf. Jutten elkaar op om vol te houden, want het kan niet anders of ze zijn er bijna. Toch? Maar het vlaggetje blijft in het midden hangen. Nog wel…
Want als het elastiek maximaal gespannen is, als aan beide kanten niemand ook nog maar één pas in zijn eigen richting kan verzetten, dan ontstaat de meest gevaarlijke situatie. Een situatie die onoplosbaar lijkt. Er is geen partij die los wil laten, want men is ervan overtuigd dat het de overwinning betekent voor de tegenstander. Dat kan niet. Tegelijk wordt men zich bewust van de striemende pijn wanneer de anderen het elastieken koord zouden loslaten. Het vlaggetje boven het midden kan niets doen dan gespannen afwachten…
De enige manier om dit tot een goed einde te brengen, is om van beide kanten in gelijke tred stap voor stap weer naar elkaar toe te lopen. Langzaam nader tot elkaar te komen. Met begrip en respect vóór elkaar weer náár elkaar. Alleen zo gaat die laatste anderhalve meter ook nog wel lukken. Als het ooit zover komt kan de vlag uit.