Tienduizend meningen…

Op deze zonnige zomerse zondag blaast binnen de ventilator een koel briesje mijn kant op. Net na de middag op deze eerste juli begin ik aan een korte column. Vanochtend heb ik al vroeg mijn 10-km gelopen. Toen blies de wind stevig maar koel, terwijl de zon al indrukwekkend fel scheen. Een combinatie die niet zo vaak voorkomt, bedacht ik me. En tegelijk een constatering die verder geen enkele inhoudelijke waarde leek te hebben. Ook dat realiseerde ik me tijdens het lopen. Koele bries. Warme zon. Soit… En toch..

Gisteren de juli-augustus editie van het Filosofiemagazine in de bus gekregen. Hoofdthema deze keer: We zijn te braaf geworden. In een zevental essays valt te lezen dat we wel wat ijdeler, hebzuchtiger, wellustiger, jaloerser, onmatiger, bozer en trager mogen zijn. Waar deze zeven zonden normaalgesproken worden veroordeeld als ongewenst, draaien een zevental jonge filosofen het om en leggen uit wat voor hen de meerwaarde ervan is. Of deze combinatie van ‘ongewenst – gewenst’ voor mij inhoudelijke waarde gaat hebben, moet ik nog uitvinden. Ik heb gisteren nog maar twee essays gelezen.

Nog even afgezien van de verdere inhoud, vind ik het wel een prettige gedachte dat je jezelf toestaat om 180 graden anders tegen zaken aan te kijken. Wat voor de hand liggend lijkt even loslaten om vervolgens ook de andere kant op eventuele waarheden te onderzoeken. Dat schept nieuwe mogelijkheden en kansen voor wederzijds begrip. De achterkant van het gelijk meenemen in je mening. Niet altijd even makkelijk en meestal ook niet gebruikelijk als het over controversiële onderwerpen gaat.

Europa bijvoorbeeld en hoe om te gaan met de vluchtelingen. De grenzen dichtgooien, als een kille bries, tegenover het delen van wat er is, als een warme zon. Als je enkel de ene kant ziet, blijft het koud. Sta je vast aan de andere kant, verbrand je in de zon. In beweging blijven dus en op zoek gaan naar ‘the best of both worlds’?

Zo maar wat gedachten die in me opkomen, terwijl ik vroeg op een zonnige zomerse zondag, de meters onder mijn voeten voorbij voel trekken. Tienduizend meters. Vijfduizend links en vijfduizend rechts. Naast elkaar. Niks zondigs aan. Of misschien wel te braaf?

Klein filosofietje

Het is al bijna helemaal donker buiten. Tegen tienen zit de eerste dag van het filosofie-weekend er op. Op het ISVW-landgoed in Leusden is de bar open. Eros Ramazotti klinkt op dit moment door de boxen. Met een koud witbiertje voor me op tafel overdenk ik de eerste dag.

Ik probeer voor mezelf te bedenken met welk gevoel ik nu hier zit. Tevreden, dat in ieder geval. Maar ook met een gevoel dat ik ergens getuige van ben geweest, waar ik de echte impact nog niet van kan overzien. Geen onprettige gedachte. Het is een gevoel van open mogelijkheden. Een herinnering komt bij me boven. Het moet in 1974 geweest zijn.

Ik heb even terug moeten tellen want ik meen dat het in de tweede klas van het Atheneum is. A2a, volgens mij, maar terwijl ik het opschrijf twijfel ik of het niet A2b was. Hoe dan ook, het is een klas waarin stevige karakters zitten. Niet alleen krachtig, maar ook onderling nogal van elkaar verschillend. Het is de tijd waarin de sfeer op school voor mij -nu terugkijkend- gesymboliseerd werd door een tweetal leerkrachten. Niet op grond van hun letterlijke aanwezigheid, maar wel door het gedachtengoed dat ik hen destijds al dan niet terecht toedichtte.

Voor mijn jaargenoten van toen; ik denk aan de geschiedenisleraar Juurlink en de Nederlands docent Pieter-Paul van Laake. Voor die laatste mag je ook Gerus van den Boomen lezen. Het contrast in sfeer van die tijd, dat wil ik er maar even mee aangeven. Een soortgelijk contrast tekende zich af in onze klas.

Het was de reden dat wij al heel vroeg voor Jeruzalembegrippen op werkweek mochten. In mijn herinnering zie ik mezelf op een conferentieoord, dicht bij Maastricht. De plaatsnaam herinner ik me even niet, maar de naam schiet me wel te binnen. Het was vormingscentrum De Klinkenberg of een naam van die strekking. Zometeen eens even googelen, dan vind ik de plaatsnaam misschien ook wel weer. Een vaag gevoel bekruipt me dat het misschien wel Meerssen was, maar dat kan ook goed door de huidige media-aandacht zijn, dat ik dat nu denk.

Raar hoe herinnering soms werkt. Want zoals ik hier nu zit, met m’n witbiertje, moet ik terugdenken aan de vormingsweek in 1974. Een foto die ik lang gehad heb van die werkweek, toonde mij in een typische denkhouding. Ik herinner me nog dat ik ook toen, tijdens die werkweek, een gevoel had van onbestemd begrip.

De verhalen en opdrachten van die werkweek. De gesprekken en de tijd daartussen. Het gevoel dat het goed was, zonder te weten waarom. Het idee dat ik er nog wel achter ging komen, waarom die aanwezigheid goed voelde. Het was een diffuus besef van een basis die er die week werd gelegd. Niet goed te duiden, maar wel een prettig gevoel.

Zo zit ik hier nu weer. Vijfendertig jaar later en geen spat veranderd, realiseer ik me. Nog een slok van mijn witbiertje. Dát is wel een verschil met toen, maar verder… Het zit wel goed. Een goed gevoel, dat tegelijk ook wel confronterend is, zonder op dit moment te kunnen zeggen waarom.

Is het herkenning, omdat er vandaag veel over ’verhalen in de filosofie’ is verteld? Is het de constatering dat er veel meer mensen zijn zoals ik, die het ook niet precies lijken te weten, maar die in ieder geval op een positieve manier op zoek zijn? Kleine levensvragen waar ongetwijfeld kleine antwoorden op te vinden zijn. Misschien vormen die samen wel één groot antwoord? Wie zal het zeggen. We hebben morgen nog een dag. En daarna hopelijk ook nog een aanzienlijk aantal.